
Jurisprudentie
AQ3768
Datum uitspraak2004-07-16
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404006/1 en 200404006/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404006/1 en 200404006/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 22 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldrop (hierna: het college) een verzoek van appellante om vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor het gebruik van een berging op het perceel [locatie] te Geldrop (hierna: het perceel) ten behoeve van bedrijfsmatige kinderopvang afgewezen.
Uitspraak
200404006/1 en 200404006/2.
Datum uitspraak: 16 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 april 2004 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Geldrop.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldrop (hierna: het college) een verzoek van appellante om vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor het gebruik van een berging op het perceel [locatie] te Geldrop (hierna: het perceel) ten behoeve van bedrijfsmatige kinderopvang afgewezen.
Bij een tweede besluit van dezelfde dag heeft het college appellante voorts op straffe van een dwangsom gelast om dit gebruik te staken en gestaakt te houden.
Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het college de daartegen door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 april 2004, verzonden op 2 april 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 11 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht. Tevens heeft zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2004, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. H.J. Kastein, advocaat te Leusden, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P.H. Gofers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
Ten aanzien van de geweigerde vrijstelling
2.1. Niet meer in geschil is dat het gebruik van de berging op het perceel ten behoeve van bedrijfsmatige kinderopvang niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
2.2. De voorzieningenrechter is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat ten tijde van het besluit van 27 januari 2004 niet was gebleken van voldoende objectieve feiten en omstandigheden, op grond waarvan de tijdelijkheid van de afwijking van het bestemmingsplan kon worden aangenomen. Hetgeen appellant in dit verband naar voren heeft gebracht over de redenen voor het nog niet hebben bereikt van overeenstemming met het college over een permanente locatie voor de kinderopvang elders en over de recente ontwikkelingen op dit punt, maakt dit niet anders. Vrijstelling krachtens artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kon derhalve niet worden verleend.
2.3. De voorzieningenrechter heeft evenzeer terecht en op goede gronden overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid het verzoek om vrijstelling krachtens artikel 19 van de WRO heeft kunnen afwijzen. Daartoe wordt overwogen dat appellante haar stelling dat zij aanvankelijk, nadat zij van gemeentezijde had vernomen dat aldaar een kinderdagverblijf was toegestaan, elders in de gemeente Geldrop een woning met bedrijfsgebouw had gehuurd en haar oude woning had verkocht, om vervolgens, van gemeentezijde te kennen te zijn gegeven dat een kinderdagverblijf daar toch niet mocht worden gerealiseerd, niet nader heeft toegelicht. Maar ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat van gemeentezijde toestemming is gegeven voor vestiging van het kinderdagverblijf aldaar en deze nadien is ingetrokken, vormt dit onvoldoende reden om aan te nemen dat het college thans gehouden is om met gebruikmaking van die bevoegdheid medewerking te verlenen aan het gebruik van het perceel ten behoeve van een kinderdagverblijf.
Ten aanzien van de opgelegde last
2.4. De voorzieningenrechter heeft ook terecht overwogen dat het college, gezien de strijd van het gebruik met het bestemmingsplan, tot oplegging van de last kon besluiten.
2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.6. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de weigering om vrijstelling te verlenen, faalt het betoog van appellante dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat concreet zicht op legalisering bestaat. De voorzieningenrechter heeft voorts evenzeer terecht het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel verworpen. Het door appellante vermelde geval van kinderdagverblijf “Potje Knor” is niet gelijk of gelijk te stellen met dat van haar, reeds omdat deze elders is gevestigd. Ook voor het geval van het kinderdagverblijf “De Grabbelton”, dat tijdelijk op het perceel werd geëxploiteerd, geldt dat dit niet gelijk te stellen is met dat van appellante, omdat daar wel concrete aanwijzingen bestonden dat binnen afzienbare tijd naar een permanente locatie zou worden verhuisd. Bovendien zijn juist de ervaringen met dit kinderdagverblijf voor het college reden geweest om thans onmiddellijk tot handhaving te besluiten.
2.7. Gezien het vorenstaande en hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, is de voorzieningenrechter terecht tot de slotsom gekomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin en dat niet kan worden geoordeeld dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot oplegging van de last kon besluiten.
2.8. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.10. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening.
2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2004
201.