
Jurisprudentie
AQ3746
Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2148 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2148 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Is terecht WAO-uitkering geweigerd?
Uitspraak
02/2148 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] , wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 23 april 1999 heeft gedaagde geweigerd om appellante in aansluiting op de op 3 juni 1999 verstreken wettelijke wachttijd van 52 weken in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.
Bij besluit van 30 september 1999 heeft gedaagde het namens appellante door mr. R. van de Water, destijds advocaat te Utrecht, tegen het besluit van 23 april 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 20 februari 2002, reg.nr. AWB 99/9472 WAO, het namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 30 september 1999 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellante is op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingezonden.
Namens appellante is op dit verweerschrift gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 mei 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E. Hoek, advocaat te Utrecht als haar opvolgend gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen
mr. drs. A.J. Verdonk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad ziet in dit geding aanleiding om in de eerste plaats te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen. Uit de gedingstukken is de Raad het volgende gebleken. Bij gelijkluidende brieven van 2 augustus 2001 heeft de griffier van de rechtbank aan partijen meegedeeld dat het vooronderzoek is voltooid. Tevens is daarbij aan partijen toestemming gevraagd om te bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Bij schrijven van 8 augustus 2001 heeft gedaagde bedoelde toestemming verleend. Bij brief van 15 augustus heeft ook de raadsman van appellante de gevraagde toestemming verleend. In diezelfde brief heeft de raadsman evenwel ook nog inhoudelijk commentaar gegeven op een verweer van gedaagdes bezwaarverzekerings-arts. De rechtbank heeft vervolgens uitspraak gedaan zonder behandeling van het geding ter zitting.
Naar de Raad vaker heeft overwogen is de bevoegdheid om een zitting of een nadere zitting achterwege te laten, als neergelegd in artikel 8:57 respectievelijk 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gegeven voor de situatie dat het voor-onderzoek is beëindigd. Van een rechtsgeldige toestemming door partijen om (nader) onderzoek ter zitting achterwege te laten in de zin van die bepalingen, kan slechts sprake zijn indien partijen op dat moment de beschikking hebben over alle gedingstukken. Nu gedaagde ten tijde van het verlenen van toestemming in vorenbedoelde zin nog niet beschikte over de inhoudelijke reactie op het verweer van zijn bezwaarverzekeringsarts als opgenomen in de hiervoor vermelde brief van 15 augustus 2001, en voorts niet is gebleken van een door gedaagde, nadat deze alsnog van die brief had kennisgenomen, verleende hernieuwde toestemming om de zaak buiten zitting af te doen, moet de Raad in het licht van het vorenoverwogene het ervoor houden dat de aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:57 van de Awb - en derhalve niet rechtsgeldig - tot stand is gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
De Raad heeft geen aanknopingspunten om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank te ’s-Gravenhage, nu nader onderzoek niet noodzakelijk is en door partijen om een dergelijke terugwijzing ook niet is verzocht.
Wat betreft de zaak ten gronde overweegt de Raad als volgt.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde gehandhaafd zijn in het besluit van 23 april 1999 vervatte weigering om appellante in aansluiting op de op 3 juni 1999 voltooide wettelijke wachttijd van 52 weken in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO, op de grond dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten. Blijkens de daaraan ten grondslag liggende rapporten is gedaagde er daarbij van uitgegaan dat appellante, die op 5 juni 1998 wegens RSI-klachten aan de linker- en rechteronderarm is uitgevallen voor haar in omvang van 38 uur per week verrichte werkzaamheden als secretaresse, weliswaar niet meer geschikt is te achten voor die maatgevende eigen arbeid, maar nog wel in staat is met diverse andere loondienstfuncties een zodanig inkomen te verdienen dat geen sprake is van een voor de toepassing van de WAO relevant verlies van verdiencapaciteit.
De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit de revalidatiearts dr. M. Terburg als deskundige geraadpleegd. In het door deze arts omtrent zijn bevindingen opgestelde
- ongedateerde - rapport geeft deze deskundige onder meer aan dat hij bij appellante als diagnose heeft kunnen stellen: chronische arm- en nekklachten, met name myogeen van aard, zonder duidelijke aanwijzingen voor bijkomende entrapment problematiek. Als bijkomende diagnoses noemt hij: rugklachten, tonsilectomie, curettage en astmatische bronchitis. In verband hiermee is hij van oordeel dat appellante beperkt is voor wat betreft het gebruik van de armen, nek en rug. Hij kan zich niet (volledig) verenigen met het door gedaagde bij zijn besluitvorming tot uitgangspunt genomen belastbaarheids- patroon. Hij is van oordeel dat appellante ten aanzien van een aantal met name genoemde belastbaarheidsaspecten meer beperkt is te achten dan vanwege gedaagde is aangenomen. Hij acht appellante in verband hiermee niet in staat tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.
De rechtbank heeft in het rapport van Terburg evenwel onvoldoende aanknopingspunten gevonden om arbeidsongeschikt- heid ten gevolge van ziekte of gebreken aannemelijk te achten. De Rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de deskundige Terburg weliswaar melding heeft gemaakt van het klachtenpatroon van appellante, maar bij zijn lichamelijk onderzoek geen afwijkingen heeft kunnen vaststellen. Centraal staan, aldus de rechtbank, de myogene pijnen en spierklachten, doch aanwijzingen in de richting van bijvoorbeeld neurovasculaire entrapment als primaire of bijkomende aandoening, ontbreken. In het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische gegevens ontbreekt een concrete aanwijzing dat sprake is van beperkingen welke hun oorzaak vinden in objectief vast te stellen ziekte of gebrek. Indien appellante zou worden gevolgd in haar standpunt dat zij vanwege RSI ernstig beperkt is in arm- en handbelastende werkzaamheden, zou aldus naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende geobjectiveerde en dus onjuiste uitleg worden gegeven aan het begrip arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft aldus het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In navolging van de rechtbank en met overneming van de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank, gaat ook de Raad voorbij aan de conclusies van de deskundige Terburg. Uit het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens, daarbij inbegrepen het rapport van die deskundige, is niet kunnen blijken van enige wezenlijke, objectiveerbaar op ziekte of gebreken terug te voeren, afwijking in de gezondheidstoestand van appellante. Ook gedaagdes bezwaarverzekeringsarts L. Th. Schonagen heeft zich op basis van diens in het kader van de bezwaarprocedure ingestelde medisch onderzoek van appellante in diezelfde zin uitgelaten. In navolging van de rechtbank moet ook de Raad vaststellen dat de deskundige zijn conclusies dan ook in het bijzonder heeft gebaseerd op de subjectieve klachtenpresentatie door appellante, hetgeen in het licht van het wettelijke arbeidsongeschiktheidscriterium als onjuist dient te worden bestempeld.
De Raad verbindt aan het bovenstaande de conclusie dat appellante met het door gedaagdes primaire verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon niet tekort is gedaan en dat er in ieder geval geen aanknopingspunten zijn om mee te gaan met de eigen opvatting van appellante dat zij zwaarder beperkt is te achten dan blijkens dat belastbaarheidspatroon vanwege gedaagde bij zijn besluitvorming tot uitgangspunt is genomen.
Er aldus vanuit gaande dat appellante ten tijde in dit geding van belang niet anders of meer beperkt was dan door gedaagde is aangenomen, is de Raad voorts van oordeel dat appellante terecht geschikt is geacht tot het vervullen van de volgende functies die, mede gelet op hetgeen namens gedaagde ter zitting is verklaard, door gedaagde - uiteindelijk - als schattings- grondslag worden aangemerkt: fb-code 4611, bevattende een functie van vertegenwoordiger met een omvang van 40 uur per week en 9 arbeidsplaatsen, fb-code 3922, bevattende een viertal functies van dienstindeler/medewerker dienstrooster met een omvang van 38 uur per week en 11 arbeidplaatsen in totaal en fb-code 3213, bevattende een tweetal functies van secretaresse verpleegafdeling, één met een omvang van 18 uur per week en 7 arbeidsplaatsen en één met een omvang van 36 uur per week en 4 arbeidsplaatsen. Voor zover in de verwoording functiebelasting van die functies markeringen voorkomen ten teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellante op de aangegeven aspecten, dan is de Raad van oordeel dat van de zijde van gedaagde genoegzaam is toegelicht waarom die functies desondanks voor appellante als geschikt vallen aan te merken.
De Raad heeft evenmin aanknopingspunten om de functies niet ook in arbeidskundig opzicht als passend aan te merken. Met name wordt appellante niet gevolgd in haar stelling dat de functie van vertegenwoordiger een ervaringseis kent
- waaraan zij niet voldoet - nu zij die stelling uitsluitend heeft doen rusten op het feit dat het om een relatief goed beloonde functie gaat. Op de arbeidsmogelijkhedenlijst wordt juist expliciet vermeld dat ervaring niet is vereist. Ook wat betreft de aan de functie van secretaresse verpleegafdeling verbonden opleidingseisen gaat de Raad uit van hetgeen dienaangaande staat vermeld op de arbeidsmogelijkhedenlijst. De Raad vermag appellante niet te volgen in haar - uitsluitend op één enkele advertentie van een soortgelijke functie in de Volkskrant gebaseerde - stelling dat voor deze functie een afgeronde opleiding medisch secretaresse wordt vereist.
Ten slotte volgt uit de dienaangaande gewezen en inmiddels als vast te kwalificeren rechtspraak van de Raad dat in verband met de omvang van de beide onder fb-code 3213 ressorterende functies van secretaresse verpleegafdeling, als hiervoor vermeld, de zogeheten reductiefactor als bedoeld in de bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999 niet behoeft te worden gesteld op 18/38, zoals van de zijde van appellante is bepleit, maar dient te worden bepaald op 36/38. Daarvan uitgaande komt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante uit op minder dan 15%.
Evenals de rechtbank, zij het met aanvulling van de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, komt ook de Raad derhalve tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Nu het oordeel van de Raad ten gronde geen andere uitkomst te zien geeft dan door de rechtbank is neergelegd in de aangevallen uitspraak, acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 82,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.