
Jurisprudentie
AQ3744
Datum uitspraak2003-08-11
Datum gepubliceerd2004-07-28
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers02/03930
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-28
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers02/03930
Statusgepubliceerd
Indicatie
Waarde woning bij staking onderneming. Schuren behoren als aanhorigheden tot de woning. Bij overgang naar privé moet de waardedruk wegens voortgezette zelfbewoning worden bepaald overeenkomstig een besluit van de staatssecretaris, ook al was dat nog niet in werking getreden.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer
UITSPRAAK
op het beroep van de erven van X te Z, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.
1. Loop van het geding
1.1. De griffier van het Hof heeft op 14 juni 2002 een pro forma beroepschrift van belanghebbenden ontvangen, ingediend door mr. A. De gronden van het beroep zijn uiteengezet in brieven van 30 september 2002 en 7 februari 2003. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 13 mei 2002, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 1994.
1.2. De inspecteur heeft aan X een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 170.678. Het belastbare inkomen is blijkens de tekst van de bestreden uitspraak verminderd tot ƒ 90.878. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 65.678. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.
1.3. Op de zitting van 18 februari 2003 is de gemachtigde verschenen, alsmede namens de inspecteur mr. B. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
1.4. Op 4 maart 2003 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal op 18 maart 2003 aangetekend aan partijen is verzonden. De inspecteur heeft op 7 april 2003 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht is tijdig op de bankrekening van het Hof gestort.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
X, overleden in 2001, oefende tot 31 december 2001 een tuinbouwbedrijf uit. Tot het ondernemingsvermogen behoorden onder meer de door X en diens echtgenote bewoonde bedrijfswoning (hierna: de woning), een schuur en een garage. X heeft bij het bepalen van de stakingswinst op de marktwaarde van de woning, de schuur en de garage een waardedruk van 40% toegepast wegens voortgezette zelfbewoning. De inspecteur is bij het regelen van de aanslag van de aangifte afgeweken. Hij heeft voor de woning een waardedruk van 29% geaccepteerd en voor de garage en de schuur de waardedruk geheel geschrapt.
3. Geschil
Tussen partijen is ter zitting uitsluitend nog in geschil welke waarde bij de staking van de onderneming kan worden toegekend aan de woning, de schuur en de garage. Niet in geschil is dat de waarde in het economische verkeer van de woning op het stakingstijdstip vrij van huur en gebruik (hierna: marktwaarde vrij) ƒ 120.000 bedroeg en dat op dat tijdstip de schuur en de garage een gezamenlijke marktwaarde vrij van ƒ 30.000 hadden.
4. Standpunten van partijen
Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding en naar het proces-verbaal van de zitting dat aan deze uitspraak is aangehecht.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. Bij de staking van de onderneming zijn de woning, de garage en de schuur overgegaan van het ondernemingsvermogen van wijlen X naar diens privé-vermogen. Het Hof is van oordeel dat de woning, die door X en zijn echtgenote werd bewoond, op de stakingsbalans dient te worden gewaardeerd op de verkoopwaarde van de woning in verhuurde staat, uitgaande van verhuur voor lange termijn, met als uitgangspunt dat een zakelijke huur is bedongen en met inachtneming van het feit dat de bewoner van de woning bereid zal zijn een iets hogere prijs te betalen dan een willekeurige derde. Tevens is het Hof van oordeel dat, indien de garage en de schuur op het stakingstijdstip als aanhorigheden van de woning zijn aan te merken die niet afzonderlijk (los van de woning) verhuurbaar zijn, ook zij gewaardeerd moeten worden naar hun verkoopwaarde in verhuurde staat.
5.2. Het Hof zal allereerst onderzoeken of de schuur en de garage aanhorigheden in de onder 5.1. vermelde zin van de woning zijn. De garage en de schuur kunnen naar het oordeel van het Hof als aanhorigheden worden aangemerkt als zij behoren bij de woning, bij de woning in gebruik zijn en aan de woning dienstbaar zijn. Gelet op de afstand van enkele meters tussen de woning, de schuur en de garage en de omstandigheid dat de garage en de schuur uitsluitend via het erf van de woning zijn te bereiken, is het Hof van oordeel dat de woning, de garage en de schuur een eenheid vormen en derhalve bij elkaar horen. Niet in geschil is dat de woning, de garage en de schuur zowel ten tijde van de staking als thans bij de zelfde gebruiker in gebruik zijn. Het Hof is daarnaast van oordeel dat het redelijkerwijs ook niet voor de hand ligt dat de gebruiker van de woning de garage en/of de schuur aan een derde in gebruik geeft of kan geven, gezien de korte afstand tussen de woning enerzijds en de garage en schuur anderzijds. Aan de voorwaarde dat de garage en de schuur bij de woning in gebruik moeten zijn, is derhalve voldaan en tevens aan de voorwaarde dat de schuur en/of garage niet afzonderlijk verhuurbaar zijn. Voorts dienen de schuur en de garage ten gebruike en ten nutte van de woning, zodat zij aan de woning dienstbaar zijn. Het Hof is dan ook van oordeel dat de garage en de schuur aanhorigheden van de woning zijn in de onder 5.1. vermelde zin en net als de woning op de stakingsbalans dienen te worden gewaardeerd naar de verkoopwaarde in verhuurde staat. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbenden.
5.3. Belanghebbenden hebben in hun bezwaarschrift gesteld dat de verkoopwaarde van de woning in verhuurde staat ƒ 130.000 bedraagt. Zij zijn in de aan de waardering ten grondslag liggende berekening uitgegaan van een huursom van ƒ 7.200 per jaar. Nog afgezien van de juistheid van de waarderingsmethodiek, verwerpt het Hof de berekening van belanghebbenden reeds omdat belanghebbenden tegenover de weerspreking door de inspecteur niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij zijn uitgegaan van een zakelijke huursom. Het Hof is voorts van oordeel dat belanghebbenden geen rekening hebben gehouden met de omstandigheid dat een huurder in de regel meer wil betalen voor de door hem bewoonde woning dan een derde voor die woning over heeft.
5.4. Het Hof is van oordeel dat ter bepaling van de verkoopwaarde in verhuurde staat van de woning, de schuur en de garage aansluiting kan worden gezocht bij de uitgangspunten zoals die worden vermeld in het Besluit van 16 mei 2001, BNB 2001/367, hoewel dit Besluit in het onderhavige jaar nog niet van kracht was. De in het Besluit genoemde te hanteren criteria - waarbij kort gezegd wordt uitgegaan van de leeftijd van de belastingplichtige en zijn partner - acht het Hof ten aanzien van de onderhavige zaak zodanig zorgvuldig, betrouwbaar en hanteerbaar dat ze in casu als maatstaf hebben te gelden ter bepaling van gezochte verkoopwaarde. Het Hof zal de verkoopwaarden in verhuurde staat van de woning, de garage en de schuur overeenkomstig het Besluit vaststellen op 71% van de marktwaarde vrij van die vermogensbestanddelen, tenzij enig beginsel van behoorlijk bestuur dwingt tot een lagere waardevaststelling.
5.5. Belanghebbenden stellen dat de eenheid te P van de Belastingdienst jarenlang het beleid heeft gevoerd dat zij akkoord ging met waardering van een woning bij voortgezette zelfbewoning op 60% van de marktwaarde vrij. De inspecteur erkent dat de eenheid te P in het verleden inderdaad een waardedruk van 40% in aanmerking nam maar stelt dat de eenheid dit beleid begin jaren ’90 heeft losgelaten en in het onderhavige jaar niet meer toepaste. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de inspecteur verwezen naar een aantal zaken die betreffende deze problematiek aan het Hof zijn voorgelegd. Belanghebbenden hebben tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het genoemde beleid in het jaar 1994 nog van toepassing was. Daarnaast hebben belanghebbenden niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur de waardering op 60% van de marktwaarde vrij in het onderhavige jaar in de meerderheid van de aan belanghebbende gelijke gevallen heeft toegepast.
5.6. Belanghebbenden stellen nog dat de inspecteur in strijd handelt met het vertrouwensbeginsel door ten nadele van hen af te wijken van het door de eenheid te P in het verleden gevoerde beleid om op 60% te waarderen. Het Hof verwerpt dit beroep en is van oordeel dat voor het leerstuk van opgewekt vertrouwen slechts omstandigheden van belang zijn die zich betreffende de onderhavige kwestie hebben voorgedaan in de verhouding tussen de inspecteur enerzijds en X en belanghebbenden anderzijds en die bij X danwel belanghebbenden de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling. Aan de omstandigheid dat de inspecteur voorheen ten aanzien van andere belastingplichtigen een bepaalde gedragslijn heeft gevolgd, kan derhalve geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend. Nu belanghebbenden ook overigens niet aannemelijk hebben gemaakt dat de inspecteur vertrouwen heeft gewekt door uitspraken, inlichtingen of afspraken, faalt het beroep van belanghebbenden op het vertrouwensbeginsel.
5.7. De inspecteur heeft in de bestreden uitspraak terecht een waardedruk van 29% toegepast bij de waardering van de woning. Hij heeft echter geen waardedruk in aanmerking genomen bij de waardering van de garage en de schuur. Gelet op het vorenoverwogene had hij dit wel moeten doen. Het Hof zal het bij de bestreden uitspraak vastgestelde belastbare inkomen van ƒ 90.878 verminderen met ƒ 8.700, zijnde 29% van ƒ 30.000, en nader vaststellen op ƒ 82.178.
6. Schadevergoeding en proceskosten
6.1. Indien de inspecteur een te hoog belastbaar inkomen vaststelt en op een te hoog bedrag handhaaft, terwijl dit belastbare inkomen naderhand wegens strijd met wettelijke bepalingen of beginselsen van behoorlijk bestuur door de rechter wordt verminderd, begaat de Staat een onrechtmatige daad jegens de belastingplichtige en is de schuld van de Staat in beginsel gegeven. De inspecteur heeft niet gesteld dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, die op dat beginsel een uitzondering maken. Het Hof is dan ook van oordeel dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die met het vaststellen en handhaven van het te hoge belastbare inkomen in voldoende causaal verband staat. Belanghebbenden stellen dat de kosten van de bezwaarfase € 500 bedragen. De inspecteur acht slechts een bedrag van € 250 aannemelijk. Nu belanghebbenden de door hen gestelde kosten van de bezwaarfase niet met bewijsstukken hebben onderbouwd, doch het Hof in navolging van de inspecteur een bedrag van € 250 aannemelijk acht, zal het Hof de Staat veroordelen tot vergoeding van € 250 aan geleden schade.
6.2. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten gesteld op € 644, te weten € 322 x 2 (voor proceshandelingen) x 1 (voor het gewicht van de zaak).
7. Beslissing
Het Hof:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- vermindert de aanlag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 82.178;
- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbenden te vergoeden;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding aan belanghebbenden van de door hen geleden schade tot een bedrag van € 250; en
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbenden te voldoen.
Aldus vastgesteld op 11 augustus 2003 ter vervanging van de mondelinge uitspraak door mr. Beukers-van Dooren, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.