Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3736

Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2053 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-Schatting. De Raad heeft geen aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden onjuist te achten.


Uitspraak

02/2053 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 21 oktober 1999 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 27 oktober 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft het tegen dit besluit namens de voormalige werkgever van appellant (hierna: de werkgever) gemaakte bezwaar bij besluit van 10 oktober 2000 gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellant met ingang van 6 weken na datering van het besluit van 10 oktober 2000 vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De rechtbank Arnhem heeft het door mr. W.P.J.M. van Gestel namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 10 oktober 2000 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 22 februari 2002, reg.nr.: 00/2123 WAO, ongegrond verklaard. De gemachtigde van appellant heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift, met bijlage, aangegeven gronden hoger beroep ingesteld. Vanwege de Raad is de werkgever bij brief van 16 april 2002 in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, waarop door de werkgever niet is gereageerd. Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen A.C.M. van der Pol, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant was werkzaam als consultant op basis van een contract voor de periode van 1 mei tot en met 31 oktober 1998 toen hij op 28 oktober 1998 uitviel met psychische klachten. De verzekeringsarts L. Vogel achtte het blijkens zijn rapport van 1 september 1999 na zijn onderzoek niet duidelijk of er bij appellant sprake was van een psychiatrisch toestandsbeeld dan wel een zeer problematische persoonlijke, met name financiële situatie. Hij oordeelde een pyschologische expertise met neuro-psychologische vraagstelling aangewezen en deze expertise is verricht door de psychologen drs. J. de Hoop en dr. W.H.J. Lancée. Zij concludeerden in hun rapport van 12 oktober 1999 dat er momenteel geen sprake was van een depressieve stoornis en dat de door appellant ervaren aandachts-, concentratie- en/of geheugenproblemen bij het testonderzoek niet geobjectiveerd werden. Zij stelden de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis bij een GAF-score van 41 tot 50 en achtten appellant op grond van zijn klachten en nader beschreven persoonlijkheidsfaktoren momenteel arbeidsongeschikt. Vogel concludeerde vervolgens naar aanleiding van deze expertise in zijn rapport van 20 oktober 1999 dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en achtte hem volledig arbeidsongeschikt bij een onduidelijke prognose, waarna gedaagde het primaire besluit van 21 oktober 1999 nam. De bezwaarverzekeringsarts J.H.N. Verheijen concludeerde in zijn rapport van 12 april/15 mei 2000, mede naar aanleiding van de in de bezwaarprocedure door de (arts)gemachtigde namens de werkgever ingebrachte bezwaren tegen de expertise van De Hoop en Lancée en op basis van zijn eigen onderzoek tijdens het spreekuur, dat de GAF-score in het geheel niet correspondeert met de bij zijn onderzoek aangegeven adl-activiteiten van appellant en in dit geval dan ook niet kan dienen als maatstaf bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Op basis van het algemeen dagelijks functioneren van appellant stelde Verheijen voorts vast dat appellant in ieder geval na de ziektewetperiode mogelijkheden heeft gehad om te functioneren in arbeid. Bij het lichamelijk onderzoek stelde Verheijen voorts geen bijzonderheden vast. Al met al zijn er volgens Verheijen in oktober 1999 wel objectieve en relevante psychische beperkingen ten aanzien van het dragen van grote verantwoordelijkheid en het verdragen van grote psychische druk, alsmede lichte lichamelijke beperkingen, welke hij vastlegde in het handgeschreven FIS-formulier van 15 mei 2000. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeids- mogelijkhedenlijst van 26 oktober 1999 selecteerde de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga blijkens het rapport van 29 september 2000 een aantal functies zowel per einde wachttijd als per de datum van zijn onderzoek en berekende hij, uitgaande van de drie hoogst verlonende functies op die tijdstippen, het verlies aan verdiencapaciteit op 40,9% respectievelijk 45,7%. In zijn rapport gaf Hettinga wat betreft de berekening van het maatmaninkomen voorts onder meer aan dat appellant per het einde van de wachttijd f 3.723,= per maand verdiende, dat het maandsalaris inclusief de beoogde provisie over 1999 f 9.000,= was en dat overeengekomen was - naar de Raad aanneemt, bedoelt Hettinga hier tussen appellant en de werkgever - om over 1999 de helft van de provisie uit te betalen. Vervolgens nam gedaagde, de rapporten en conclusies van Verheijen en Hettinga overnemend, het in rubriek I van deze uitspraak weergegeven bestreden besluit. In de beroepsprocedure in eerste aanleg is van de zijde van appellant onder andere - onder verwijzing naar het rapport van De Hoop en Lancée - gesteld dat Verheijen zijn beperkingen te laag heeft ingeschat en dat de markeringen bij de geduide functies door Verheijen in zijn rapport van 1 september 2000 onvoldoende zijn gemotiveerd. Voorts is in beroep gewezen op een brief van appellant aan zijn gemachtigde van 18 oktober 2000, waarin onder verwijzing naar de afspraken met de werkgever, is gesteld dat zijn inkomen in 1998 bij normaal functioneren f 8.000,= bruto per maand zou hebben bedragen, in 1999 f 9.000,= en in 2000 f 10.000,=, zodat zijn maatmaninkomen dienovereenkomstig zou moeten worden vastgesteld. In reactie op de visie van appellant met betrekking tot de vaststelling van het maatmaninkomen heeft Hettinga in zijn rapport van 2 februari 2001 - onder verwijzing naar een bericht van de werkgever van 29 mei 1998 aan appellant - gesteld dat het commerciële succes in het begin van de contractuele periode niet bij voorbaat vaststond, zodat bij de berekening van de provisie is uitgegaan van het op de eerste WAO-dag in elk geval geldende bedrag. Voorts wees de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de rechtbank op 28 november 2001 erop dat appellant werkte op basis van een resultaats- afhankelijke provisie, hetgeen een onzekere faktor is. De rechtbank heeft blijkens de aangevallen uitspraak onder verwijzing naar de betreffende rapporten van Verheijen de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en de in bezwaar geduide functies per 10 oktober en 22 november 2000 - omtrent welke data door gedaagde ten aanzien van die functies in eerste aanleg nadere gegevens zijn overgelegd - actueel en geschikt bevonden. Voorts kwam de rechtbank wat betreft de vaststelling van het maatmaninkomen van appellant tot het oordeel dat een afspraak inzake verhoging van provisie in de periode, nadat het recht op uitkering aan de hand van dat inkomen is vastgesteld, gelet op artikel 7 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, niet van invloed is op de inkomensvergelijking. Een en ander leidde de rechtbank ook tot het onderschrijven van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij het bestreden besluit met ingang van 22 november 2000. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de hiervoor genoemde in eerste aanleg voorgedragen grieven tegen het bestreden besluit in essentie herhaald, terwijl gedaagde in zijn verweerschrift met betrekking tot de vaststelling van het maatmaninkomen nog heeft gesteld dat, gelet op het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong, terecht een speculatief element als de ontwikkeling van inkomsten uit provisie over 2000 daarbij buiten beschouwing is gebleven, dat met het meenemen van een gedeelte van de provisie voldoende tegemoet is gekomen aan de wens dit variabele loonbestanddeel te laten meewegen bij de vasstelling van het maatmaninkomen en dat, gelet op de korte duur van de arbeidsovereenkomst, daaruit geen maatstaf kan worden afgeleid voor de vaststelling van een ontwikkeling van de provisie-inkomsten. De Raad stelt voorop dat de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd heeft medegedeeld dat hij zijn ook in eerste aanleg voorgedragen grief dat bij het nemen van het bestreden besluit de gebruikelijke uitlooptermijn van twee maanden in acht dient te worden genomen, niet langer handhaaft. De Raad heeft, evenals de rechtbank, voorts geen aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden onjuist te achten. Verheijen is ook naar het oordeel van de Raad in de bezwaarprocedure op goede gronden tot een andersluidende inschatting van de psychische belastbaarheid van appellant gekomen dan door De Hoop en Lancée is aangegeven en door Vogel is overgenomen. Nadere medische gegevens welke gedaagde zouden nopen tot een heroverweging van de medische grondslag van het bestreden besluit zijn van de zijde van appellant in hoger beroep niet overgelegd. Voorts heeft de Raad geen aanknopingspunten de bevindingen van het eerder genoemde rapport van Verheijen inzake de markeringen in de geduide functies, onjuist te achten. Met betrekking tot de provisie is de Raad van oordeel, dat gedaagde met het in aanmerking nemen bij de berekening van het maatmaninkomen van dat gedeelte van de provisie over 1999 dat volgens de met de werkgever gemaakte afspraken, waarvan blijkt uit het bericht van die werkgever aan appellant van 29 mei 1998, over dat jaar in elk geval zou worden uitbetaald en met het buiten beschouwing laten van het overige deel van de provisie, alsmede de verhoging daarvan over toekomstige jaren vanwege het speculatieve karakter daarvan het maatmaninkomen in lijn met zijn jurisprudentie inzake niet gerealiseerde toekomstverwachtingen rechtens niet op onjuiste wijze heeft vastgesteld. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) J.W. Engelhart.