
Jurisprudentie
AQ3719
Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1612 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1612 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Betrokkene heeft belang verloren bij besluit op zijn bezwaar tegen de weigering om terug te komen van het besluit over de mate van zijn arbeidsongeschiktheid en had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
Uitspraak
02/1612 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.
Op de in het beroepschrift vermelde gronden heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 januari 2002, reg. nr: SBR 01/203, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld op de zitting van de Raad op 18 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde M. Florijn, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 19 juli 1995 heeft gedaagde de uitkeringen van appellant ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werden berekend naar een mate van arbeids- ongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 november 1993 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank Utrecht bij uitspraak van
23 december 1996 ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep heeft deze uitspraak bij zijn uitspraak van 31 maart 1999 bevestigd.
Vanaf 11 juni 1999 heeft appellant met gedaagde gecorrespondeerd hetgeen heeft geleid tot het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van 28 april 2000, dat er volgens gedaagde toe strekt dat hij terugkomt van het besluit van 19 juli 1995 waarbij onder meer is beslist over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 november 1993.
Bij besluit van 7 juni 2000 heeft gedaagde geweigerd om terug te komen van het besluit van 19 juli 1995 omdat gedaagde na bestudering van de door appellant overgelegde gegevens van mening is dat deze gegevens onvoldoende harde nieuwe feiten of omstandigheden aantonen.
Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar heeft gedaagde ongegrond verklaard bij zijn besluit op bezwaar van
19 december 2000. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Voorts heeft gedaagde overwogen dat het primaire besluit niet over ziekmeldingen na 1 november 1993 gaat en dat over die ziekmeldingen nooit een primaire beslissing is afgegeven, zodat daarover in bezwaar ook geen beslissing kan worden genomen.
De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
In het verslag van de door gedaagde op 11 december 2000 in het kader van de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting is het volgende opgenomen:
”…belanghebbende legt zich neer bij het oordeel van het gak over zijn arbeidsongeschiktheid per 1 november 1993. De eerstvolgende ziekmelding na 1 november 1993, die van 30 november 1993, werd echter niet onderkend en daar is belanghebbende het niet mee eens. Hoorder licht diverse keren toe dat de heroverweging plaats zal vinden over 1 november 1993 en dat belanghebbende met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid per die datum nieuwe feiten en of omstandigheden kan aanvoeren.”.
Ter zitting van de Raad heeft appellant deze passage uit het verslag van de hoorzitting bevestigd en heeft hij wederom aangegeven dat het hem met name gaat om de ziekmeldingen van na 1 november 1993. De Raad leidt ook uit appellants brief van 29 april 2004 aan de Raad, waarin de ziekmeldingen na 1 november 1993 weer worden genoemd in verbinding met artikel 38 van de WAO, af dat het appellant met name gaat om de ziekmeldingen die volgden na 1 november 1993. Appellant stelt dat hij zich dus na 1 november 1993 diverse malen ziek heeft gemeld bij gedaagde. Gedaagde heeft verklaard niet bekend te zijn met ziekmeldingen van appellant van na 1 november 1993.
Gezien het voorgaande oordeelt de Raad dat vanaf het moment dat appellant op de hoorzitting te kennen heeft gegeven dat hij zich heeft neergelegd bij het oordeel van gedaagde over zijn arbeidsongeschiktheid per 1 november 1993, niet langer sprake is van een geschil tussen appellant en gedaagde over appellants mate van arbeidsongeschiktheid op 1 november 1993. Daarmee heeft appellant zijn belang verloren bij een besluit op zijn bezwaar tegen de weigering om terug te komen van het besluit van 19 juli 1995 over de mate van appellants arbeidsongeschiktheid op 1 november 1993. De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde appellant wegens het vervallen van het belang bij deze bezwaarprocedure niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in zijn bezwaar.
Gezien het voorgaande komen de aangevallen uitspraak en het bij die uitspraak in stand gelaten bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Het inleidend beroep zal gegrond worden verklaard. De Raad zal op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf voorzien in de zaak en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
Ten overvloede wijst de Raad erop dat zo appellant van gedaagde verlangt dat zijn ziekmeldingen na 1 november 1993 alsnog in behandeling worden genomen, hij aan gedaagde, die heeft verklaard dat hem geen ziekmeldingen van na
1 november 1993 bekend zijn, afschriften van die ziekmeldingen dient over te leggen met het verzoek daar alsnog een besluit over te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,00 voor verleende rechtsbijstand in beroep. In hoger beroep is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt op de voet van artikel 8:72, vierde lid van de Awb dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag groot € 322,00 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht in beroep van € 27,23 en in hoger beroep van € 82,00 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schutttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.