
Jurisprudentie
AQ3718
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308246/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308246/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 16 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal het wijzigingsplan "Wijzigingsplan Kinheimpark 2003-W2" vastgesteld.
Uitspraak
200308246/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],
3. de vereniging "Vereniging Omwonende-belangen Kinheimpark" (hierna: de Vereniging), gevestigd te Bloemendaal,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal het wijzigingsplan "Wijzigingsplan Kinheimpark 2003-W2" vastgesteld.
Bij besluit van 10 november 2003, kenmerk 2003-40937, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 7 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2003, [appellanten sub 2] bij brief van 2 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2004, en de Vereniging bij brief van 6 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2004, beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder en de Vereniging. Deze zijn aan alle partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2004, waar
[appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, gemachtigde, de Vereniging, vertegenwoordigd door mr. M. Verweel, gemachtigde, en bijgestaan door drs. I.E. Plasmans en M. Stevens, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. [Appellant sub 1] is niet verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Huisman, ambtenaar van de gemeente, en de besloten vennootschap “Riso Vastgoed B.V.”, vertegenwoordigd door mr. G. Koop, advocaat te Amsterdam.
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting is ten aanzien van het beroep van de Vereniging aangevoerd dat dit niet-ontvankelijk zou zijn wegens het ontbreken van een bovenindividueel belang.
2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in ondermeer de uitspraak van 18 september 2002, no. 200201630/1 (zie JB 2002/330 (Jurisprudentie bestuursrecht) en www.raadvanstate.nl), moet het bij de belangen van een rechtspersoon als bedoeld in bovengenoemd artikel gaan om een aan de statutaire doelstellingen ontleend collectief belang, dat door een besluit direct wordt of dreigt te worden aangetast, waarbij het belang los kan worden gezien van dat van individuele leden, en waarvan de behartiging de trekken dient te vertonen van behartiging van bovenindividuele belangen.
Blijkens haar statuten is het statutaire doel van de Vereniging gelegen in het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de leden in het kader van de verbouw, sloop, projectontwikkeling met betrekking tot het terrein van de voormalige drukkerij Gottmer. Hoewel de individuele belangen van de leden in dit geval enige overlap kunnen vertonen met het collectieve belang is de Afdeling van oordeel dat dit belang los kan worden gezien van de individuele belangen van de leden en dat de behartiging daarvan de trekken vertoont van bovenindividuele belangen. Het beroep van de Vereniging is ontvankelijk.
2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
2.3. Het plan voorziet in een wijziging van de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” in de bestemmingen “Woondoeleinden”, “Erf”, “Tuin” en “Verkeersdoeleinden” ten behoeve van de verwezenlijking van wooneenheden met bijbehorende voorzieningen op de gronden waarop het gebouw staat van een voormalige drukkerij/uitgeverij. Daarnaast voorziet het plan in de bouw van een woning aansluitend aan het pand [locatie 1].
2.4. De Vereniging en [appellant sub 1] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Erf” ten noordwesten van de voormalige drukkerij/uitgeverij aangezien zij de aanwezigheid van een ontsluitingsweg aan de zijde van de [locatie 2] ongewenst achten.
2.4.1. Verweerder heeft geen reden gezien dit plandeel in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft dit goedgekeurd. Hij is van mening dat strijd met de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden zich niet voordoet en dat de bestemming “Erf” een ontsluitingsweg niet toelaat.
2.4.2. Artikel 13, zesde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan wat betreft de gronden op de plankaart voorzien van de aanwijzing “planwijziging ex artikel 11 WRO toegestaan” te wijzigen met inachtneming van de volgende aanwijzingen: - de bestemming bedrijfsdoeleinden, op gronden voorzien van de toevoeging I (de drukkerij/uitgeverij aan de [locatie 2]) mag worden gewijzigd in de bestemmingen woondoeleinden/tuin/erf/verkeers- en verblijfsdoeleinden mits:
- een ontsluiting wordt aangelegd vanaf de [locatie 1].
2.4.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart aangewezen gronden met de bestemming “Erf” niet bestemd voor wegen, maar voor bij gebouwen behorende bebouwing. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn op gronden met die bestemming toegelaten: aanbouwen, autoboxen, bergingen, volières, plantenkassen, hondenhokken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde tennisbanen en/of zwembaden zonder overkapping. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voorzover van belang, zijn de op de plankaart aangewezen gronden met de bestemming “Verkeers- en verblijfsdoeleinden” bestemd voor wegen. De Afdeling stelt vast dat het plandeel met de bestemming “Verkeers- en verblijfsdoeleinden” alleen een ontsluitingsweg naar de [locatie 1] mogelijk maakt. Het plandeel met de bestemming “Erf” ten noordwesten van de voormalige drukkerij/uitgeverij voorziet niet in de mogelijkheid van een ontsluitingsweg aan de [locatie 2]. Er is dan ook geen grond voor de vrees van de Vereniging en [appellant sub 1] dat naast de ontsluitingsweg aan de [locatie 1] nog een andere ontsluitingsweg aan de zijde van de [locatie 2] zal worden aangelegd.
2.5. De Vereniging en [appellanten sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden”, dat de bouw van een woning aansluitend aan het pand [locatie 1] mogelijk maakt. Voorts voert de Vereniging aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Erf”, voorzover dat de bouw van garageboxen mogelijk maakt. Appellanten achten deze plandelen in strijd met de wijzigingsbevoegdheid omdat naar hun mening uitsluitend is bedoeld de bouw van wooneenheden ter plaatse van de bestaande bebouwing van de voormalige drukkerij/uitgeverij mogelijk te maken.
2.5.1. Verweerder heeft geen reden gezien deze plandelen in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft deze plandelen goedgekeurd. Hij is van mening dat strijd met de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden zich niet voordoet.
2.5.2. Het plangebied bestaat uit gronden die op de plankaart van het bestemmingsplan zijn voorzien van een arcering. Blijkens de legenda van het bestemmingsplan wordt deze arcering verklaard als “planwijziging ex artikel 11 WRO”. De arcering heeft betrekking op gronden met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”, omvattende het bouwvlak waarbinnen de bestaande bebouwing van de voormalige drukkerij/uitgeverij staat en de omliggende onbebouwde gronden met de aanduiding “z (zonder gebouwen)”. De toevoeging “I” is geplaatst in het bouwvlak waarbinnen de bestaande bebouwing van de voormalige drukkerij/uitgeverij staat. De Afdeling is van oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 13, zesde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan betrekking heeft op het gehele gearceerde plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” en niet slechts op het bouwvlak, voornoemd, waarin de toevoeging “I” is geplaatst. Gelet op de systematiek van het bestemmingsplan ziet ook de toevoeging “I” naar het oordeel van de Afdeling op het gehele gearceerde plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”. Gelet hierop vallen de plandelen met de bestemmingen “Woondoeleinden” en “Erf”, die respectievelijk voorzien in de bouw van een woning aansluitend aan het pand [locatie 1] en in de verwezenlijking van garageboxen, binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid van artikel 13, zesde lid, van de planvoorschriften betrekking heeft. De wijzigingsbevoegdheid sluit de voorziene garageboxen en de woning aansluitend aan het pand [locatie 1] dan ook niet uit.
2.5.3. Ten aanzien van de plaats van de voorziene garageboxen overweegt de Afdeling als volgt. Het plandeel met de bestemming “Verkeers- en verblijfsdoeleinden” voorziet in een ontsluiting via de [locatie 1]. Aansluitend op dit plandeel zijn de garageboxen voorzien. Zoals kan worden afgeleid uit hetgeen is overwogen onder 2.4.3. heeft deze plaats achter de bestaande bebouwing tot gevolg dat het bestemmingsverkeer voor deze garages via deze ontsluiting zal gaan uitwegen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid met de voorziene plaats van de garageboxen heeft kunnen instemmen.
2.5.4. Uit het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat bij de inpassing van een woonbestemming aansluitend aan het pand [locatie 1] de belangen van [appellanten sub 2] zijn betrokken. Een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer van appellanten is, gelet op de plaats en de vorm van het plandeel met de bovengenoemde bestemming, niet aannemelijk. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid met de inpassing van deze bestemming op deze plaats heeft kunnen instemmen.
2.5.5. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden plandelen van het wijzigingsplan, waarvan de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de bestreden plandelen. De beroepen zijn ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.
w.g. Dolman w.g. Neuwahl
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
280-459.