Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3715

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200308637/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 10 juni 2002 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) afgewezen.


Uitspraak

200308637/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2003 in het geding tussen: appellante en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 1. Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2002 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) afgewezen. Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 november 2003, verzonden op 18 november 2003, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 10 februari 2004 heeft de minister van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de minister. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2004, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, en de minister, vertegenwoordigd door F. Bogaarts en mr. H.J. Stoop, ambtenaren in dienst van het ministerie, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De rechtbank heeft op goede gronden en terecht geoordeeld dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat de gevolgde opleiding van appellante niet gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding aan een faculteit geneeskunde, zodat tegen haar inschrijving in het register voor wat haar vakbekwaamheid betreft bedenkingen bestaan. Er zijn geen bijzondere omstandigheden naar voren gekomen, die aanleiding hadden moeten vormen om van het beleid terzake af te wijken. 2.2. De rechtbank heeft evenzeer terecht geoordeeld dat het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Voorzover zij ter zitting van de Afdeling in dit verband met name aandacht heeft gevraagd voor het geval van [belanghebbende A] en dat van [belanghebbende B], overweegt de Afdeling dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ook die gevallen niet met dat van haar vergelijkbaar zijn. [belanghebbende A] was in Nederland in de eindfase van een promotie-onderzoek, mede op grond waarvan hem een geclausuleerde verklaring is verstrekt als bedoeld in artikel 41, derde lid, onder b, van de Wet BIG. Aan [belanghebbende B] is in 1996 een tijdelijke verklaring afgegeven, op grond van het feit dat zij destijds reeds drie jaar in Nederland als arts werkzaam was, onder de voorwaarde dat zij een aanvullende opleiding diende te volgen, aan welke voorwaarde zij heeft voldaan. 2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat. w.g. Bijloos w.g. Haan Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 27-55.