
Jurisprudentie
AQ3714
Datum uitspraak2004-07-06
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1532 AAW/WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1532 AAW/WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Is terecht afwijzend beslist op aanvraag om uitkeringen op grond van de AAW en de WAO toe te kennen onder overweging dat betrokkene niet gedurende een periode van 52 weken vanaf zijn ziekmelding arbeidsongeschikt is geweest?
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/1532 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid.
Bij besluit van 3 februari 2000 heeft gedaagde aan appellant onder meer medegedeeld dat niet wordt voldaan aan zijn verzoek om terug te komen van de eerdere beslissing van 8 juli 1988, strekkende tot weigering van toekenning aan appellant per einde wachttijd van uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 december 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 30 januari 2002, reg.nr.: SBR 01/73, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Voorts heeft mr. Delescen een nader stuk ingezonden, wat heeft geleid tot reacties van partijen op elkaars standpunt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 2004, waar zoals voor de zitting is bericht, noch appellant, noch zijn gemachtigde zijn verschenen en waar namens gedaagde is verschenen G.J. Samson, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij beslissing van 8 juli 1988 heeft gedaagde afwijzend beslist op een aanvraag van appellant om hem uitkeringen op grond van de AAW en de WAO toe te kennen onder overweging dat hij niet gedurende een periode van 52 weken vanaf zijn ziekmelding van 20 februari 1987 arbeidsongeschikt is geweest.
Die beslissing is door een uitspraak van deze Raad van 11 november 1992 in rechte onaantastbaar geworden.
Bij brief van 29 augustus 1999 heeft appellant verzocht hem opnieuw te keuren en een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.
Bij het in rubriek I genoemde besluit van 3 februari 2000 heeft gedaagde dit verzoek van appellant, voor zover hij daarmee bedoeld heeft om een verzoek te doen om terug te komen van deze beslissing, afgewezen op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, die daartoe aanleiding geven.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het door appellant ingediende bezwaar ongegrond verklaard, waarbij er kennelijk -en naar het oordeel van de Raad terecht- van is uitgegaan dat het bezwaar uitsluitend was gericht tegen de in het besluit van 3 februari 2000 vervatte weigering om terug te komen van de beslissing van 8 juli 1988.
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijkende besluit.
Appellant heeft bij zijn nieuwe aanvraag aangevoerd dat hij lijdt aan fibromyalgie en dat er over dit ziektebeeld inmiddels nieuwe inzichten bestaan. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een medisch tijdschriftartikel overgelegd. De beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid zou volgens appellant anders zijn uitgevallen als destijds reeds de huidige medische bevindingen omtrent het ziektebeeld fibromyalgie bekend waren geweest en als destijds reeds de rechtspraak van de Raad gebaseerd zou zijn geweest op de verruimde criteria zoals die thans volgens appellant in die rechtspraak worden gehanteerd.
De rechtbank heeft overwogen dat dit niet meer is dan een ongefundeerde speculatie omtrent de beoordeling van zijn aanspraken naar huidige medische en juridische inzichten. De Raad onderschrijft deze overweging van de rechtbank en voegt daaraan toe dat een dergelijke speculatie als zodanig geen nieuw feit of een veranderde omstandigheid oplevert als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.
In hoger beroep is namens appellant ter nadere onderbouwing van zijn standpunt een rapport ingezonden van de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard van 16 april 2002, die concludeert dat appellant sedert zijn uitval in februari 1987 als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. De Raad stelt vast dat dit rapport eerst bekend is geworden nadat het bestreden besluit genomen is zodat gedaagde bij het nemen van dat besluit daarmee geen rekening heeft kunnen houden. De Raad gaat reeds daarom aan dit rapport voorbij.
De aangevallen uitspraak komt, gelet op het vorenoverwogene, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.W. Engelhart.