Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3699

Datum uitspraak2004-07-06
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1138 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering omdat er geen verlies is aan verdiencapaciteit.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/1138 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 12 juli 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellant in aansluiting op de op 30 juli 2000 verstreken wettelijke wachttijd van 52 weken in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO), op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% is. Bij besluit van 7 december 2000 heeft gedaagde het namens appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 15 januari 2002, reg.nr.: AWB 01 / 22 WAO, het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 7 december 2000 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend, waarop van de zijde van appellant is gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 2004, waar appellant met voorafgaand bericht in persoon noch bij gemachtigde is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. C. Arets, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende in de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid - weergegeven feiten en omstandigheden. “Eiser was sinds 1991 in dienst bij MAECON, in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW). Hij was laatstelijk werkzaam als onderhoudsmedewerker bij tennisvelden. Eiser heeft in 1974 een amputatie van zijn rechter onderbeen ondergaan en maakt sindsdien gebruik van een prothese. Per 2 augustus 1999 meldde eiser zich arbeidsongeschikt. Eiser heeft op 12 april 2000 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de WAO per einde wachttijd, te weten 30 juli 2000. Bij besluit van 12 juli 2000 heeft verweerder eiser medegedeeld dat aan hem geen uitkering werd toegekend omdat er bij hem geen verlies aan verdiencapaciteit resteert. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd een medisch rapport van verzekeringsarts dhr. J. Poels d.d. 26 mei 2000 en een arbeidskundig onderzoek van dhr. P.M.G.M. Poels d.d. 10 juli 2000. Tegen dit besluit is namens eiser op 2 augustus 2000 bezwaar aangetekend. Namens eiser werd aangevoerd dat de medische beperkingen van eiser door verweerder te laag zijn ingeschat. Eiser was op 14 juli 2000 onderzocht door orthopeed J.R.W. ten Kate van het Ruwaard van Putten Ziekenhuis te Spijkenisse. Aangevoerd werd dat het betrekken van de informatie van de orthopeed zou leiden tot een ander belastingspatroon, omdat met die informatie door verweerder geen rekening was gehouden, daar deze informatie mede was gebaseerd op recent röntgenonderzoek. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op 26 september 2000 op het bezwaarschrift te worden gehoorde. Eiser en zijn gemachtigde hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. Van het horen is verslag opgemaakt, dat zich bij de geding- stukken bevindt. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts C.G. van de Kooij in zijn rapportage d.d. 14 november 2000 -ondermeer- aangegeven dat de beperkingen correct zijn vastgesteld. De geduide functie van modinette, waarbij beide voeten gebruikt worden voor bediening van 2 pedalen, achtte de bezwaarverzekeringsarts niet passend. De overige geduide functies werden wel passend geacht. Naar aanleiding van een brief van orthopeed Ten Kate d.d. 7 november 2000, gericht aan eiser, heeft de bezwaarverzekeringsarts in een aanvullende rapportage d.d. 4 december 2000 aangegeven dat de brief van de orthopeed geen nieuwe gezichtspunten bevat en dat de rapportage van 14 november 2000 onveranderd van kracht blijft. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 6 december 2000 aangegeven dat het door de bezwaar- verzekeringsarts laten vervallen van de geduide functie modinette, geen arbeidskundige consequenties heeft daar het verlies aan verdiencapaciteit nihil is. Hierbij werd uitgegaan van de geduide functies die wel passend werden geacht, te weten printplatenmonteur, samensteller metaalproducten en samensteller elektrische producten. Bij het thans bestreden besluit van 7 december 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.” De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de conclusies waartoe de verzekeringsarts en de bezwaar- verzekeringsarts van gedaagde zijn gekomen, onzorgvuldig voorbereid, ondeugdelijk gemotiveerd dan wel onjuist te achten. Met name heeft de rechtbank in dit verband, naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellant was aangevoerd, nog overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam heeft aangetoond dat hij de medische informatie, afkomstig van de behandelend orthopedisch chirurg J.R.W. ten Kate, heeft meegewogen in zijn rapport van 14 november 2000, en dat de brieven van Ten Kate geen (dermate concrete) informatie bevatten op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het belastbaarheidspatroon van appellant onjuist zou zijn vastgesteld. De Raad kan zich volledig vinden in evenvermelde overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank, en maakt deze overwegingen en dat oordeel tot de zijne. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe. In hoger beroep is van de zijde van appellant in het bijzonder gewezen op het feit dat bij hem inmiddels naast de overige lichamelijke klachten, ook ernstige nekproblemen zijn geconstateerd, in verband waarmee hij vanaf 20 december 2001 vanwege gedaagde alsnog in aanmerking is gebracht voor een volledige arbeids- ongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO. Hij stelt zich hierbij op het standpunt dat bedoelde nekproblemen niet eerst in december 2000 zijn ontstaan, zoals door gedaagde tot uitgangspunt is genomen, maar ook reeds ten tijde in dit geding van belang - 31 juli 2000 - aan de orde waren. De Raad kan appellant in die opvatting niet volgen. In de eerste plaats wordt in een zich onder de gedingstukken bevindend rapport van 1 maart 2002, opgesteld door de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij, vermeld dat appellant zich eerst op 21 december 2000 vanwege niet eerder aanwezige maar aanhoudende nekklachten toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft expliciet aangegeven dat de nekklachten als claimklacht eerst in december 2000 zijn ontstaan. Voor die tijd is appellant, aldus die arts, weliswaar bekend met klachten van de schouder, maar die waren niet gerelateerd aan klachten van de nek. De beperkingen die tot dan toe golden, hielden verband de schouderklachten van appellant. De Raad heeft in hetgeen namens appellant naar voren is gebracht - maar verder niet aan de hand van enig concreet medisch gegeven is onderbouwd - noch anderszins aanknopingspunten gevonden om vorenomschreven visie van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. De Raad heeft hierbij mede acht geslagen op het rapport van 26 mei 2000 van gedaagdes verzekeringsarts J. Poels, waaruit naar voren komt dat appellants linkerschouder crepiterende en toenemend blokkerende indruk vanaf 90 graden vertoont, maar de nek en de rechter dominante kant geen probleem- velden vertonen. Dit past ook in de in datzelfde rapport opgenomen anamnese, waaruit niet blijkt dat appellant op dat moment ook last had van nekklachten. In elk geval is er geen grond om het ervoor te houden dat, zo al aangenomen zou moeten worden dat er op de datum in geding ook klachten van de nek waren, deze ook toen reeds tot relevante beperkingen leidden. De Raad gaat aldus met de rechtbank ervan uit dat ten aanzien van appellant de juiste beperkingen in acht zijn genomen. Daarvan uitgaande, staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat appellant op de datum in geding in staat was de als schattingsgrondslag in aanmerking genomen functies te vervullen. Gelet op het vorenoverwogene, en overwegende dat in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook overigens niet is kunnen blijken van enige grond om het bestreden besluit in rechte niet juist te achten, komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. De Raad beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004. (get.) J.W. Schuttel. (get.) J.W. Engelhart.