
Jurisprudentie
AQ3691
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400739/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400739/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 27 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) een bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen en vergroten van een garage/berging aan de [locatie] in Voorburg.
Uitspraak
200400739/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Voorburg,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 december 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) een bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen en vergroten van een garage/berging aan de [locatie] in Voorburg.
Bij besluit van 1 november 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 9 december 2003, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 16 december 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 23 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 5 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief 15 juni 2004 heeft appellante een nadere reactie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2004, waar appellante in persoon, en het college, vertegenwoordigd door H. Wijten, ambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Volgens appellante wijkt het college aldus ten onrechte af van een bij schrijven van 22 oktober 2001 ingenomen negatief standpunt over de aard en omvang van het bouwwerk. Bovendien betoogt appellante dat de welstandscommissie ten onrechte niet de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen.
2.2. Gelet op het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet, in samenhang met artikel 12, eerste lid, van die wet, staat slechts ter beoordeling de vraag of burgemeester en wethouders in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat het bouwwerk in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders mogen, hoewel zij niet aan een welstandsadvies zijn gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hen berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derdebelanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat burgemeester en wethouders dit niet - of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen.
Ten behoeve van de advisering beschikte de commissie onder meer over de bouwtekeningen, een situatietekening en over foto's die appellante van de situatie ter plaatse heeft genomen. De welstandscommissie heeft deze informatie in redelijkheid voldoende kunnen achten om het bouwplan te kunnen beoordelen. Het achterwege laten van een onderzoek ter plaatse leidt in dit geval derhalve niet tot het oordeel dat aan de totstandkoming van het welstandsadvies zodanige gebreken kleven dat het college bij de beslissing op bezwaar niet mocht afgaan op het positieve advies van de welstandscommissie. Anders dan appellante kennelijk meent, is het college in het kader van de welstandstoets gebonden aan de bouwhoogte die het bestemmingsplan toelaat. Verder kan de brief van 22 oktober 2001, die betrekking had op een ander bouwplan, in dit verband geen rol spelen. Ieder bouwplan dient, zoals het college heeft gedaan, op zijn eigen merites te worden beoordeeld. Voorts bevat de brief van 22 oktober 2001, anders dan appellante kennelijk meent, geen aanvullende voorschriften waaraan het college het bouwplan diende te toetsen. De rechtbank is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het college zich op het standpunt kon stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
17-381