Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3689

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307801/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 21 december 2001 heeft appellante de subsidieaanvraag van [wederpartij] voor het project "Communications from the Lab" op basis van de Subsidieregeling Projecten 2002 afgewezen. Aan deze afwijzing heeft appellante het daartoe strekkende advies van de commissie-Dans van de Adviesraad van het Fonds ten grondslag gelegd.


Uitspraak

200307801/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Stichting Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 oktober 2003 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats] en appellante. 1. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2001 heeft appellante de subsidieaanvraag van [wederpartij] voor het project "Communications from the Lab" op basis van de Subsidieregeling Projecten 2002 afgewezen. Aan deze afwijzing heeft appellante het daartoe strekkende advies van de commissie-Dans van de Adviesraad van het Fonds ten grondslag gelegd. Bij besluit van 26 augustus 2002 heeft appellante het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 oktober 2003, verzonden op 16 oktober 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 januari 2004. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 25 februari 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag, vergezeld van [adjunct-directeur] van de stichting, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Voor een overzicht van het in deze zaak toepasselijke wettelijke en beleidskader, alsmede van de feiten verwijst de Afdeling naar de aangehechte uitspraak van de rechtbank, pagina’s 2 tot en met 6, waartegen geen gronden zijn gericht en waarin een en ander naar haar oordeel correct en volledig is weergegeven. 2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Adviesraad van het Fonds het advies van de commissie-Dans niet zonder meer had mogen overnemen en appellante haar besluit tot afwijzing van de subsidieaanvraag, zoals in bezwaar gehandhaafd, niet op dit advies had mogen baseren. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante aan het begrip ‘professioneel kunstenaar’ een uitleg geeft die niet strookt met het gangbare Nederlandse taalgebruik. Voorts acht de rechtbank de enkele vermelding in de notulen van de vergadering van de Adviesraad, waaruit blijkt dat de raad het advies van de commissie-Dans overneemt, ontoereikend. Tegen deze overwegingen richten zich de grieven. De Afdeling overweegt dienaangaande het volgende. 2.3. De Subsidieregeling Projecten 2002 moet blijkens het in de aanhef van deze regeling omschreven doel ervan professionele kunstenaars in staat stellen zich in artistieke zin te ontwikkelen en dans-, theater- en muziekproducties te realiseren. Blijkens de van deze regeling deel uitmakende beoordelingscriteria worden projectaanvragen beoordeeld aan de hand van een aantal specifieke criteria, waaronder de artistieke kwaliteit van de maker. Een van de kernbegrippen daarbij is diens vakmanschap. 2.3.1. Voor de uitleg van het begrip professionaliteit acht appellante blijkens de beslissing op bezwaar van belang het afgestudeerd zijn aan het kunstvakonderwijs op het hoogste niveau in de discipline waarin de podiumkunstenaar werkzaam is dan wel daarmee gelijk te stellen praktijkervaring. Dat het begrip ‘professioneel kunstenaar’ in de toepasselijke regelgeving niet is gedefinieerd, brengt naar het oordeel van de Afdeling niet met zich dat appellante daaraan niet een dergelijke invulling mag geven. Dat het begrip amateurkunstenaar in de op die categorie toepasselijke subsidieregelingen wèl is gedefinieerd, betekent niet dat daaruit omgekeerd geredeneerd volgt dat [wederpartij] onder de categorie professioneel in de zin van de subsidieregeling valt. De rechtbank heeft dit miskend. Voor zover de rechtbank daarbij heeft overwogen dat appellante aan het begrip ‘professioneel’ een uitleg geeft die – naar haar oordeel – niet strookt met het gangbare Nederlandse taalgebruik, waarin volgens de rechtbank de betekenis ‘beroepsmatig’ meer voor de hand ligt, ziet de rechtbank eraan voorbij dat de vraag naar de betekenis van een in de regelgeving gehanteerd begrip, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar de taalkundige uitleg zoals de rechtbank die ziet. Anders dan de rechtbank ziet de Afdeling voorts niet in dat de vermelding in de notulen van de Adviesraad van 26 november 2001, dat de raad het advies van de door haar ingestelde commissie-Dans overneemt, ontoereikend was voor appellante om haar besluitvorming in dit geval op te baseren. Blijkens de regeling preadviseert de commissie de Adviesraad en is het uitsluitend de raad die advies uitbrengt aan appellante. Gesteld noch gebleken is dat van deze in de regeling voorgeschreven werkwijze in dit geval is afgeweken. 2.3.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende. 2.3.3. De adviesraad heeft appellante geadviseerd de aanvraag van [wederpartij] niet te honoreren, aangezien hij niet als professioneel kunstenaar kwalificeert in de zin van de regeling. Appellante heeft dit advies overgenomen en blijkens de beslissing op bezwaar vastgesteld dat op grond van het curriculum vitae van [wederpartij] van deze kwalificatie geen sprake is. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden gezegd dat dit advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel dat op basis van de door [wederpartij] verstrekte gegevens de gewraakte kwalificatie heroverweging verdiende. Dat [wederpartij], naar hij onweersproken heeft gesteld, door de fiscus als zelfstandig ondernemer wordt beschouwd, maakt dit niet anders. Zelfstandig ondernemerschap in fiscale zin is niet gelijk te stellen met professioneel kunstenaarschap in de zin van de subsidieregeling. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient derhalve alsnog ongegrond te worden verklaard. 2.3.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 oktober 2003, AWB 02/3761 BELEI; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State het door appellante voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat. w.g. Bijloos w.g. Haan Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 27-55.