Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3684

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400685/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 3 juli 2001, kenmerk 51/0008 BWT 2000, heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) [wederpartij] op grond van artikel 15 van de Woningwet aangeschreven onder aanzegging van bestuursdwang gevelisolatie met waterdichte afwerking aan te brengen aan de buitenzijde van de achteruitbouw aan het pand van [locatie].


Uitspraak

200400685/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 15 december 2003 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te Amsterdam en appellant. 1. Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2001, kenmerk 51/0008 BWT 2000, heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) [wederpartij] op grond van artikel 15 van de Woningwet aangeschreven onder aanzegging van bestuursdwang gevelisolatie met waterdichte afwerking aan te brengen aan de buitenzijde van de achteruitbouw aan het pand van [locatie]. Bij besluit van 10 september 2002, kenmerk PAZ 1134/2001/5097 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 december 2003, verzonden op 15 december 2003, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief van 20 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 maart 2004. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 6 april 2004 heeft [wederpartij] een reactie ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. P. Brocker en ir. M.P. Spieker, ambtenaren bij het stadsdeel Westerpark, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank haar oordeel dat de beslissing op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd ten onrechte heeft gebaseerd op de eerst ter zitting in beroep door [wederpartij] opgeworpen stelling dat hij reeds vòòr de datum van de beslissing op bezwaar isolatievoorzieningen heeft aangebracht aan de binnengevels van de tweede en derde verdieping van de achteruitbouw. Dit betoog treft doel. Vastgesteld moet worden dat het dagelijks bestuur dit niet bij de voorbereiding van het besluit op bezwaar heeft kunnen betrekken. Van het dagelijks bestuur kon evenmin worden gevergd dat hij bij de heroverweging van het primaire besluit, buiten hetgeen in bezwaar is aangevoerd om, nader onderzoek zou verrichten naar de isolatie aan de binnenzijde van de gevel van de achteruitbouw. Hiervoor bestond te minder aanleiding omdat het dagelijks bestuur geen rekening behoefde te houden met de mogelijkheid dat het vereiste isolatieniveau ook bereikt zou kunnen worden door het treffen van isolatiemaatregelen aan de binnengevel van de achteruitbouw. Het standpunt van het dagelijks bestuur behoefde derhalve geen nadere motivering. De rechtbank heeft dit miskend. Uit het vorenstaande volgt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het besluit op bezwaar niet in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.2. Het hoger beroep is gegrond. Nu de rechtbank hetgeen [wederpartij] bij de rechtbank overigens heeft aangevoerd ongegrond heeft bevonden en hij daartegen niet in hoger beroep is gekomen, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaren. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2003, AWB 02/4560 GEMWT; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P Lodder, ambtenaar van Staat. w.g. Claessens w.g. Lodder Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 17-381.