
Jurisprudentie
AQ3683
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307718/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307718/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij afzonderlijke besluiten van 16 mei 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan appellante sub 2 (hierna: appellante) bouwvergunningen verleend voor respectievelijk een wasstraat en shop ten behoeve van een autoservicestation.
Uitspraak
200307718/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schimmel Tankstation Exploitatie B.V., gevestigd te Veghel,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 oktober 2003 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te Son en Breugel
en
appellant sub 1.
1. Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 16 mei 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan appellante sub 2 (hierna: appellante) bouwvergunningen verleend voor respectievelijk een wasstraat en shop ten behoeve van een autoservicestation.
Bij besluit van 29 juli 2003 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 oktober 2003, verzonden op 13 oktober 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 19 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2003, en appellante bij brief van 20 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 22 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 27 januari 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2004, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven en [wederpartij], in persoon bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen. Appellante is niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante heeft drie afzonderlijke bouwplannen ingediend ten behoeve van de uitbreiding van haar tankstation tot een autoservicestation, bestaande uit een pompstation, een autowasstraat met wasboxen en een shop met een oppervlakte van ongeveer 73 m2 met bijbehorende ruimten. Thans zijn aan de orde de bouwvergunningen die zijn verleend voor de wasstraat en voor de shop met bijbehorende ruimten.
2.2. Voor de drie bouwwerken heeft appellante eerder één gezamenlijke bouwaanvraag ingediend, zij het dat de shop volgens die bouwaanvraag een oppervlakte besloeg van bijna 150 m2. Bij besluit van 12 november 2002 heeft het college zijn besluit van 23 juli 2002 tot verlening van de bouwvergunning voor dit bouwplan gehandhaafd. Dit besluit heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij uitspraak van 19 december 2002 vernietigd. Deze uitspraak heeft de Afdeling bij haar uitspraak van 23 juli 2003, in zaak no. 200300464/1, bevestigd.
2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kanaalstraat e.o.” is het terrein waarop de wasstraat en de shop zijn gesitueerd bestemd tot “Woningen, winkels en dienstverlenende bedrijven toegestaan met bijbehorende erven”.
Ingevolge de doeleindenomschrijving van artikel 7 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor doeleinden ten dienste van kleine plaatselijk verzorgende detailhandels- en/of dienstverlenende bedrijven met bijbehorende werkplaatsen.
Ingevolge artikel 7, lid A, onder I, van de planvoorschriften mogen deze gronden uitsluitend worden bebouwd met gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de verkoopvloeroppervlakte per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 75 m2, behoudens vrijstelling als bedoeld in lid E, onder I.
Ingevolge artikel 7, lid C, onder I, is het verboden op de tot “woningen, winkels en dienstverlenende bedrijven toegestaan met bijbehorende erven” bestemde grond opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming.
Ingevolge artikel 7, lid C, onder II, aanhef en onder 1, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik als bedoeld onder I in ieder geval gerekend het gebruik van opstallen voor meer dan 75 m2 als verkoopvloeroppervlak voor detailhandel, behoudens vrijstelling als bedoeld in lid E, onder I.
Ingevolge artikel 7, lid E, onder I, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid A, onder I, en lid C, onder II.1, tot een maximale verkoopvloeroppervlakte per bouwperceel van niet meer dan 150 m2 mits daardoor de structuur van het plaatselijke en/of regionale distributieapparaat niet wezenlijk wordt verstoord.
2.4. In dit geschil is uitsluitend aan de orde of de shop en de wasstraat als klein plaatselijk verzorgend detailhandels- en/of dienstverlenend bedrijf kunnen worden aangemerkt.
2.5. In bovengenoemde uitspraak van 23 juli 2003 heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, overwogen dat uit de planvoorschriften niet volgt dat sprake is van een klein plaatselijk verzorgend bedrijf indien de verkoopvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 75 m2 of met vrijstelling 150 m2 alsmede dat artikel 7, lid C, onder II, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften niet de mogelijkheid uitsluit dat bij de beoordeling of sprake is van een plaatselijk verzorgend karakter andere omstandigheden worden betrokken dan de oppervlaktemaat.
De Afdeling ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.
2.6. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat de verkleining van de oppervlakte van de shop niet tot gevolg heeft dat thans wel sprake is van een klein plaatselijk verzorgend bedrijf. Niet is gebleken dat de omstandigheden ten aanzien van de ligging van het bedrijf sinds 23 juli 2003 wezenlijk zijn gewijzigd. Dat volgens een in opdracht van appellante gehouden onderzoek het merendeel van de huidige klanten afkomstig is uit een gebied met een straal van ongeveer vijf kilometer rondom haar bedrijf is niet van betekenis, aangezien thans ter plaatse alleen een verkooppunt voor motorbrandstoffen aanwezig is. De resultaten van dit onderzoek kunnen derhalve niet als maatstaf dienen voor de beoordeling van het karakter van het bedrijf na realisering van de bouwplannen. De voorzieningenrechter heeft daarmee derhalve terecht geen rekening gehouden.
2.7. Het oordeel van de voorzieningenrechter dat de wasstraat niet kan worden aangemerkt als een plaatselijk verzorgend bedrijf is door appellanten betwist met een beroep op het in 2.6. vermelde onderzoek naar de herkomst van klanten. Dit beroep faalt. De Afdeling ziet geen reden om in dit verband over de betekenis van dat onderzoek anders te oordelen dan in 2.6.. Dat voor de wasstraat een milieuvergunning is verleend is niet van belang, aangezien bij de beslissing op de aanvraag van de milieuvergunning het al dan niet plaatselijke karakter van het bedrijf niet ter beoordeling stond.
2.8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak behoort te worden bevestigd.
2.9. Het college behoort op de hierna aangegeven wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt het college in de door [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Son en Breugel te worden betaald aan [wederpartij].
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Lodder
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
17.