
Jurisprudentie
AQ3676
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400654/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400654/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 10 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele (hierna: het college) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van het winkelpand [locatie] te Heinkenszand en voor het realiseren van een laad- en losruimte en hellingbaan bij dat pand.
Uitspraak
200400654/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te Heinkenszand,
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 24 december 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele (hierna: het college) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van het winkelpand [locatie] te Heinkenszand en voor het realiseren van een laad- en losruimte en hellingbaan bij dat pand.
Bij besluit van 20 juni 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 december 2003, verzonden op 29 december 2003, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 22 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 20 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. H.A. van der Linden, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Daniƫlse, ambtenaar van de gemeente Borsele, zijn verschenen. Voorts is daar [gemachtigde] van [derdebelanghebbende] gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan ziet op de verbouwing van het winkelpand [locatie] te Heinkenszand tot supermarkt en op de bouw van een hellingbaan en een laad- en losruimte aan dat pand.
2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Kern Heinkenszand 1998" rust op de gronden waarop het winkelpand is gesitueerd de bestemming "Detailhandel (D)". Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder a., van de desbetreffende planvoorschriften, zijn de gronden bestemd voor detailhandelsbedrijven. Het bestemmingsplan laat gebruik van het pand als supermarkt toe.
De gronden waarop de hellingbaan en de laad-en losruimte zijn voorzien zijn bestemd voor respectievelijk "Detailhandel zonder bebouwing (Dz)" en Recreatieve doeleinden zonder bebouwing (Rz)". Het bestemmingsplan laat de bouw van de hellingbaan en de laad- en losruimte niet toe. Om niettemin de realisering daarvan mogelijk te maken, heeft het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO, vrijstelling verleend van het bepaalde in het bestemmingsplan.
Met het verlenen van de vrijstelling is niet beoogd een ander gebruik van het winkelpand mogelijk te maken dan in het bestemmingsplan reeds is voorzien.
De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de belangenafweging omtrent de vestiging van een supermarkt op de desbetreffende gronden geacht kan worden te zijn gemaakt bij de vaststelling en de goedkeuring van het bestemmingsplan "Kern Heinkenszand 1998". Het betoog van appellante dat voorafgaande aan de verlening van de bouwvergunning en de vrijstelling ten onrechte geen onderzoek is verricht naar een mogelijke verstoring van de bestaande winkelstructuur en dat een dergelijke verstoring aan het verlenen van de gevraagde vrijstelling in de weg staat, kan derhalve niet slagen.
2.3. Appellante betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet afdoende heeft bestreden dat de supermarkt over voldoende parkeerplaatsen beschikt.
Bij het bepalen van het aantal parkeerplaatsen mocht het college uitgaan van 4 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsoppervlak. Deze norm wordt volgens het college gehanteerd voor supermarkten met een draagvlak/ verzorgingsgebied van 6.000 tot 10.000 inwoners. Appellante heeft haar stelling dat de supermarkt een groter verzorgingsgebied zal bedienen zodat er een hogere norm moet worden toegepast, niet van draagkrachtige argumenten voorzien.
Op grond van de norm die het college heeft toegepast bedraagt het aantal benodigde parkeerplaatsen 80. Op het aansluitende onbebouwde terrein zijn 78 parkeerplaatsen aanwezig. Voorts kan gebruik worden gemaakt van een openbaar parkeerterrein aan de overzijde van de Stenevate. Ten slotte zullen, anders dan appellante veronderstelt, geen parkeerplaatsen verdwijnen door de uitvoering van het bouwplan.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
17-381.