Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3673

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400616/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 19 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend aan [vergunninghoudster] voor het oprichten van een kinderdagverblijf en wooneenheden met dagactiviteitencentrum voor meervoudig gehandicapten op de percelen Wilddreef 1/11 (oneven) te Leiderdorp.


Uitspraak

200400616/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Leiderdorp, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 december 2003 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend aan [vergunninghoudster] voor het oprichten van een kinderdagverblijf en wooneenheden met dagactiviteitencentrum voor meervoudig gehandicapten op de percelen Wilddreef 1/11 (oneven) te Leiderdorp. Bij besluit van 17 september 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 december 2003, verzonden op 16 december 2003, heeft de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 16 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 27 maart 2004 heeft appellant een reactie ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door M. Hendriks en G.M. van der Meij, ambtenaren van de gemeente Leiderdorp, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het bouwplan maakt een gebouw mogelijk met een oppervlakte van 2730 m² en een goothoogte van 3.24 m. Het centrale deel van het gebouw heeft een goothoogte van 7.80 meter. De kortste afstand tussen de woning van appellant en de te realiseren bebouwing bedraagt ongeveer 21 meter. Het college heeft appellant schriftelijk toegezegd dat ter compensatie van het gewijzigde uitzicht twee bomen geplant zullen worden, en het onderhoud en de eventuele herplant gedurende een periode van 10 jaar gegarandeerd. 2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij na het verstrijken van de periode van 10 jaar schade zal lijden indien een noodzakelijke vervanging van de bomen achterwege blijft. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college met bovenvermelde toezegging bij de aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag gelegde belangenafweging in voldoende mate met de belangen van appellant heeft rekening gehouden, voorzover deze zijn uitzicht op de nieuwbouw betreffen. 2.3. Ter zitting bij de rechtbank heeft appellant blijkbaar nog aandacht gevraagd voor de verkeersoverlast die na uitvoering van het bouwplan zal ontstaan ter hoogte van zijn woning. Het college heeft zich bij de voorbereiding van het besluit op het standpunt gesteld dat de verkeerssituatie als gevolg van het verlenen van de vrijstelling niet aanzienlijk zal wijzigen ten opzichte van hetgeen zonder vrijstelling mogelijk is, zodat daarin, gelet op de overige belangen, geen grond is gelegen de vrijstelling te weigeren. Hetgeen appellant aanvoert geeft geen aanleiding tot het oordeel dat dit standpunt onjuist is. Appellant betoogt derhalve tevergeefs dat het oordeel van de rechtbank omtrent de verkeersoverlast onjuist is. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat. w.g. Claessens w.g. Lodder Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 17-381