Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3669

Datum uitspraak2004-07-13
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200401868/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 30 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Wognum, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003".


Uitspraak

200401868/2. Datum uitspraak: 13 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: 1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [verzoekster sub 2], gevestigd te [plaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Wognum, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003". Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 februari 2004, kenmerk 2004-29765, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief van 3 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2004, en [verzoekster sub 2] bij brief van 7 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2004, beroep ingesteld. Bij brief van 3 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2004, heeft [verzoeker sub 1] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 7 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2004, heeft [verzoekster sub 2] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 2 juli 2004, waar [verzoeker sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, gemachtigde, [verzoekster sub 2], vertegenwoordigd door [directeur] en bijgestaan door ing. G.P.W. Olbertijn, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Wognum, vertegenwoordigd door G.J. van der Meer, ambtenaar van de gemeente. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het plan betreft een actualisering van de planologische regelingen voor het landelijke gebied van de gemeente Wognum. 2.3. [verzoeker sub 1] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Bedrijven - Herberg met dienstwoning (B24)” aan de [locatie 1]. Volgens [verzoeker sub 1] is ten onrechte niet een afstand van tenminste 50 meter aangehouden tot de boomgaarden van zijn fruitteeltbedrijf, die direct rondom dit plandeel liggen. Hij vreest daardoor in zijn bedrijfsvoering te worden beperkt en stelt dat in de herberg geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Hij verzoekt schorsing van de goedkeuring van dit plandeel, omdat voor de bouw van een herberg inmiddels een vrijstelling en bouwvergunning is verleend, waartegen hij overigens bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld. 2.3.1. Bij besluit van 17 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wognum een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor een herberg met dienstwoning op het perceel, plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats]. Bij uitspraak van 18 februari 2004 (200400512/2, www.raadvanstate.nl) heeft de Voorzitter van de Afdeling dit besluit geschorst, omdat gerede twijfel bestaat dat het college van burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een onaanvaardbaar leefklimaat, mede gelet op de door verzoeker genoemde uitspraken van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 18 december 2002 (200103898/1, www.raadvanstate.nl). De Voorzitter ziet thans geen reden voor een ander standpunt en acht het niet onaannemelijk, mede gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 15 oktober 2003, nr. 36188/R, dat bij het verzoekschrift is overgelegd, dat de Afdeling in de bodemzaak tot hetzelfde oordeel zal komen. Gelet hierop ziet hij aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, teneinde onomkeerbare gevolgen bij inwerkingtreding van het plandeel te voorkomen. 2.4. [verzoekster sub 2] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden, agrarisch deeltijdbedrijf (Wad)” op een deel van zijn bedrijfsperceel aan de [locatie 2] te [plaats]. Hierdoor is het agrarische bebouwingsvlak in vergelijking met de vorige planologische regeling verkleind tot 250 m2 bij recht. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening die voorkomt dat zijn bedrijfsvoering onevenredig wordt benadeeld. 2.4.1. Het verzoek van [verzoekster sub 2] strekt er toe dat meer agrarische bouwmogelijkheden worden geschapen, terwijl het bestemmingsplan niet in die mogelijkheid voorziet. Verzoeker is niet gebaat bij schorsing van enig deel van het bestreden besluit aangezien daarmee niet wordt voorzien in agrarische bouwmogelijkheden. Een voorlopige voorziening die daarin voorziet is te verstrekkend, aangezien het scheppen van die bouwmogelijkheden niet met een uitspraak van de Afdeling kan worden bewerkstelligd. Die uitspraak zou kunnen strekken tot onthouding van goedkeuring aan het desbetreffende plandeel, doch daarmee zou verwezenlijking van het de gewenste bouwmogelijkheden nog niet mogelijk zijn. Gelet hierop ziet hij geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [verzoeker sub 1] te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 10 februari 2004, kenmerk 2004-29765, voorzover het het plandeel met de bestemming “Bedrijven - Herberg met dienstwoning (B24)” aan de [locatie 1] betreft; II. wijst het verzoek van [verzoekster sub 2] af; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door [verzoeker sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 768,06, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan [verzoeker sub 1]; IV. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [verzoeker sub 1] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Klein Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2004 176-410.