Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3666

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400070/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 3 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergambacht (hierna: het college) appellant bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een schuilgelegenheid op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], no. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].


Uitspraak

200400070/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], handelend onder de naam Dutch Breeding Support, gevestigd te Capelle aan den IJssel, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 november 2003 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Bergambacht. 1. Procesverloop Bij besluit van 3 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergambacht (hierna: het college) appellant bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een schuilgelegenheid op het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], no. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 6 november 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 november 2003, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 januari 2004. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 13 april 2004 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. Van Zundert en mr. Kanis, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1982” rust op het betrokken perceel de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarde”. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de bij dit bestemmingsplan behorende planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangeduid als “Agrarisch gebied met landschapswaarde” bestemd voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf, namelijk voor weide- en hooibouw met de daarbij behorende sloten, weteringen, putten en loofhoutbeplantingen, alsmede voor het behoud en de ontwikkeling van de aldaar aanwezige landschapswaarde. Ingevolge het tweede lid, sub a, van dit artikel mogen op deze gronden gebouwd worden per agrarisch bedrijf ten hoogste één schuur, berging of schuilgelegenheid met een grondoppervlakte, goothoogte en nokhoogte van maximaal respectievelijk 25 m², 2 meter en 3,50 meter. 2.2. De rechtbank heeft miskend dat het beroep van appellant slechts gericht was tegen de beslissing op bezwaar, voor zover aan de gehandhaafde beslissing tot weigering van de bouwvergunning ten grondslag is gelegd dat ten behoeve van het bouwplan tevens een aanlegvergunning benodigd is die niet zal worden verleend en dat de aard van het bouwwerk niet in overeenstemming is met de planvoorschriften. Dat ter plaatse sprake was van (een aanzet tot) agrarische bedrijvigheid in de zin van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan is door het college in die beslissing als uitgangspunt gehanteerd. Door te overwegen dat feitelijk geen sprake is van het voeren van een agrarisch bedrijf ter plaatse en derhalve het bouwplan niet in overeenstemming is met de planvoorschriften, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, getreden buiten de grens van het geschil, zoals dat door appellant aan de orde is gesteld. Het vorenstaande leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. 2.3. Het door appellant ingediende bouwplan, door appellant aangeduid als schuilgelegenheid, bestaat uit een verblijfsruimte, een buitenberging, een pantry en een toilet. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het met het bouwplan beoogde gebouw, gelet op de bouwkundige inrichting, niet kan worden aangemerkt als een schuilgelegenheid danwel een schuur of een berging. Voor zover appellant betoogt dat hij door het college in de gelegenheid had moeten worden gesteld zijn bouwplan aan te passen, wordt overwogen dat daartoe geen aanleiding bestond. De benodigde aanpassing heeft betrekking op een wijziging van de aard van het met het bouwplan beoogde gebouw en kan mitsdien niet als een wijziging van ondergeschikte betekenis worden aangemerkt. Het college heeft derhalve terecht beslist op de aanvraag zoals deze was ingediend. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden, waarop zij berust, te worden bevestigd. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop zij berust. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn w.g. Nolles Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 328.