Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3653

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200306103/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 5 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: het college) een tijdelijk verkeersbesluit genomen inhoudende de fysieke afsluiting van het Prins Bernhardplantsoen tussen het busstation en de Wolter ten Catestraat voor alle verkeer inclusief voetgangers, uitgezonderd het bouwverkeer, zolang de bouwwerkzaamheden van de "Heren van Twente" duren, middels het plaatsen van hekken en waarschuwingborden zoals op de bijbehorende tekening aangegeven.


Uitspraak

200306103/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], h.o.d.n. cafetaria “City Corner”, wonend te Hengelo (O), tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 1 augustus 2003 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (O). 1. Procesverloop Bij besluit van 5 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: het college) een tijdelijk verkeersbesluit genomen inhoudende de fysieke afsluiting van het Prins Bernhardplantsoen tussen het busstation en de Wolter ten Catestraat voor alle verkeer inclusief voetgangers, uitgezonderd het bouwverkeer, zolang de bouwwerkzaamheden van de "Heren van Twente" duren, middels het plaatsen van hekken en waarschuwingborden zoals op de bijbehorende tekening aangegeven. Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 27 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede, [accountant] van appellant, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.S. van Dijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Appellant is eigenaar en exploitant van een cafetaria annex petit-restaurant aan [locatie] te Hengelo. Hij betoogt dat, als gevolg van de langdurig verminderde bereikbaarheid van zijn cafetaria door de tijdelijke afsluiting van het Prins Bernhardplantsoen en het vervallen van de parkeermogelijkheden ter plaatse, zijn omzet zo sterk is gedaald dat hij zich tenslotte genoodzaakt zag zijn bedrijf te sluiten. Appellant bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat een verband bestaat tussen de daling van de omzet van zijn cafetaria in de jaren 2002 en 2003 en voormeld verkeersbesluit van 5 februari 2002. 2.2. Appellant bestrijdt dit oordeel met succes. Het staat vast dat de cafetaria van appellant, ook nadat tussen 1993 en 1999 diverse verkeersmaatregelen aan en rondom het Stationsplein waren uitgevoerd, aan een doorgaande weg was gelegen en via de route Beursstraat-Prins Bernhardplantsoen voor alle verkeer bereikbaar was. Verder is niet in geschil dat door de afsluiting van het Prins Bernhardplantsoen, als gevolg van het besluit van 5 februari 2002, de verkeerssituatie ter plaatse aldus werd gewijzigd dat de cafetaria van appellant aan een doodlopend weggedeelte van het Stationplein kwam te liggen. Dit had mede tot gevolg dat niet alleen geen verkeer meer langs de cafetaria kwam, maar dat ook van de nabijgelegen parkeerplaatsen niet langer gebruik kon worden gemaakt. Appellant heeft voorts met de door hem overgelegde overzichten van zijn jaarcijfers, die ter zitting door hem en zijn accountant nader zijn toegelicht, aangetoond dat de behaalde omzetcijfers, die na een aanvankelijke daling vanaf 1997 weer waren gestabiliseerd, sinds 2001 een scherpe daling vertoonden: van ca. € 31.000, 00 naar € 24.252, 00 in het jaar 2001 en vervolgens naar € 12.440,00 in 2002 en € 9.201,00 in 2003. Gezien deze jaarcijfers bestaat er, nu appellant er bovendien in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij voor de omzet van zijn bedrijf grotendeels afhankelijk is van passantenverkeer, voldoende grond voor het oordeel dat niet onaannemelijk is dat in dit geval enig verband bestaat tussen de dalingen van de omzetten na 2001 en het door de gewijzigde verkeersstroom afgenomen aantal bezoekende passanten van de cafetaria in die periode. Hieruit volgt dat tevens niet uitgesloten kan worden geacht dat de schade die appellant stelt in zijn bedrijf te hebben geleden kan zijn veroorzaakt door het verkeersbesluit inzake de in geding zijnde afsluiting. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat de omstandigheden die het college in de beslissing op bezwaar als mogelijke oorzaak voor de omzetdalingen heeft genoemd onvoldoende houvast bieden om de relatief grote omzetverliezen die appellant gedurende de bedoelde periode heeft geleden te kunnen verklaren. Het college heeft, gelet hierop, dan ook ten onrechte het standpunt ingenomen dat de door appellant gestelde schade niet aan de getroffen verkeersmaatregel kan worden toegeschreven. In aanmerking nemend voorts dat appellant in bezwaar ter staving van zijn verzoek om schadevergoeding reeds bewijsmateriaal naar voren heeft gebracht, dat door hem in een later stadium nader is onderbouwd, heeft het college ten onrechte geen onderzoek ingesteld naar mogelijk door appellant geleden onevenredig nadeel. Nu het college een hierop gericht onderzoek bij zijn beslissing op het bezwaar achterwege heeft gelaten, is het besluit in zoverre niet op zorgvuldige wijze voorbereid en moet het om die reden worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 2.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep van appellant alsnog gegrond verklaren en het besluit van 1 oktober 2002 vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. 2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 1 augustus 2003, 02/939 GEMWT W1 A; III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 1 oktober 2002; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Hengelo te worden betaald aan appellant; VI. gelast dat de gemeente Hengelo aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 116,00 en € 175,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Hoovers-Backaert, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Hoovers-Backaert Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 367.