Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3649

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200306049/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 29 juli 2003, kenmerk WO/MP/7-4945, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundvee- en scharrellegkippenhouderij op het perceel nummer […] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 1 augustus 2003 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200306049/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 29 juli 2003, kenmerk WO/MP/7-4945, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundvee- en scharrellegkippenhouderij op het perceel nummer […] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 1 augustus 2003 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2003, beroep ingesteld. Bij brief van 6 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2004, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door W.F. Foppen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord als partij vergunninghouder, bijgestaan door [gemachtigde]. 2. Overwegingen 2.1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 61 melk- en kalfkoeien, 40 stuks vrouwelijk jongvee en 18.000 scharrellegkippen. Eerder zijn voor deze inrichting krachtens de Wet milieubeheer op 9 juni 1998 een oprichtingsvergunning en op 25 april 2000 een uitbreidingsvergunning verleend. 2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. 2.3. Appellant heeft ondermeer bezwaren met betrekking tot de cumulatieve stankhinder. Hij betoogt dat verweerder bij het omrekenen van het veebestand naar mestvarkeneenheden een te laag aantal mestvarkeneenheden heeft vastgesteld. 2.3.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij" (Publicatiereeks Lucht, 46) gehanteerd. Voor het bepalen van het aantal mestvarkeneenheden heeft verweerder de omrekeningsfactoren uit de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna te noemen: de Regeling) toegepast. 2.3.2. Op 1 mei 2003 is de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet) in werking getreden. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij die geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt, de stankhinder uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6. Op 28 april 2003 (Stcrt. 81) is de Regeling, welke strekt tot uitvoering van de artikelen 1, vierde lid, en 4, eerste lid, van de Wet, gepubliceerd, waarin een lijst met omrekeningsfactoren voor diverse diercategorieën en huisvestingssystemen is opgenomen. Deze factoren zijn gebaseerd op de resultaten van een geurmeetprogramma uitgevoerd door het IMAG. Voornoemde resultaten zijn neergelegd in de rapporten van het IMAG van september 2001, kenmerk 2001-14, en december 2002, kenmerk 2002-09. De Regeling is eveneens op 1 mei 2003 in werking getreden. Allereerst moet worden vastgesteld dat ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet de werkingssfeer van de Wet is beperkt tot reconstructiegebieden, waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake zodat de Wet en ook de Regeling in dit geval niet van toepassing zijn. De Afdeling heeft eerder in haar uitspraak van 24 maart 2004, no. 200304128/1, overwogen dat de omrekeningsfactoren zoals opgenomen in de Regeling niet als de meest recente milieutechnische inzichten kunnen worden beschouwd. De Afdeling ziet thans geen reden anders te oordelen. Nu in het bestreden besluit is overwogen dat de cumulatieve stankhinder niet toeneemt berust dit, gelet op het vorenstaande, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. 2.4. Het beroep is gegrond. Nu het aspect stank bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De Afdeling laat de overige beroepsgronden buiten bespreking. 2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd van 29 juli 2003, kenmerk WO/MP/7-4945; III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 57,81; dit bedrag dient door de gemeente Nijefurd te worden betaald aan appellant; IV. gelast dat de gemeente Nijefurd aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Van Hardeveld Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 312-396.