
Jurisprudentie
AQ3646
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200401323/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200401323/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 21 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs het uitwerkingsplan “Westpolder-zuidoost, 1e fase, bestemmingsplan Westpolder/Bolwerk” vastgesteld.
Uitspraak
200401323/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te Berkel en Rodenrijs,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs het uitwerkingsplan “Westpolder-zuidoost, 1e fase, bestemmingsplan Westpolder/Bolwerk” vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 december 2003, kenmerk DRM/ARB/03/15029A, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2004, beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 21 april 2004 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2004, waar appellanten, bij monde van [twee van de appellanten], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. L. Berkemeijer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. M.G. Dorrepaal en mr. G.J.M. Dekker, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
2.2. Het uitwerkingsplan voorziet in de bouw van woningen met bijbehorende voorzieningen, zoals openbare ruimten en nutsvoorzieningen, in een gebied dat globaal is gelegen in de zone ten zuiden van de Zilvergracht, ten oosten van de spoorlijn en ten westen van het bestaande woongebied “Vogelbuurt”.
2.3. Appellanten wonen aan de Ooievaar en stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan, voorzover dit voorziet in een ontsluiting voor langzaam verkeer in de noordoost hoek van het plangebied ten behoeve van een langzaam verkeerverbinding evenwijdig aan de Zilvergracht langs de zijde van de Ooievaar en de Korhoen.
2.4. Verweerder heeft het uitwerkingsplan goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het uitwerkingsplan in overeenstemming is met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan “Westpolder/Bolwerk”. Voorts stemt hij in met de weerlegging door het college van burgemeester en wethouders van de naar voren gebrachte zienswijzen.
2.5. De Afdeling stelt allereerst vast dat de gronden langs de zijde van de Ooievaar en de Korhoen buiten de grenzen van het uitwerkingsplan liggen. De bezwaren van appellanten, voorzover die betrekking hebben op het exacte beloop van de langzaam verkeerverbinding op deze gronden en de daarmee samenhangende verdere inrichting van de openbare ruimte ter plaatse, vallen dan ook buiten het beoordelingskader van de thans aan de orde zijnde procedure. Overigens is blijkens het verhandelde ter zitting de aanleg van de langzaam verkeerverbinding ter hoogte van de Ooievaar en de Korhoen eerst mogelijk na herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Genoemde bezwaren kunnen in die procedure aan de orde worden gesteld.
2.6. Het uitwerkingsplan is gebaseerd op artikel 9 (Uit te werken woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen – UW(bv) – ) van de voorschriften van het bestemmingsplan “Westpolder/Bolwerk” (hierna het bestemmingsplan).
Gesteld, noch gebleken is dat het uitwerkingsplan, voorzover in geding, niet in overeenstemming is met de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregels.
Blijkens de stukken wordt met de langzaam verkeerverbinding beoogd de woningen in de Vogelbuurt te ontsluiten in de richting van het nieuwe station Westpolder, de overige in het plangebied opgenomen voorzieningen, waaronder scholen, en de fietsroutes richting het buitengebied. Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee het belang van de aanleg van deze verbinding in voldoende mate aangetoond.
Voorts acht de Afdeling, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk dat ter hoogte van de woningen van appellanten onvoldoende ruimte beschikbaar is voor de aanleg van de verbinding.
Evenmin acht de Afdeling aannemelijk dat de verkeersveiligheid niet door het treffen van nadere maatregelen, waaronder het aanbrengen van scooter- en bromfietswerende voorzieningen, kan worden gewaarborgd.
Ten aanzien van de door appellanten gevreesde overlast door hangjongeren overweegt de Afdeling dat deze overlast geen direct gevolg is van het voorliggende uitwerkingsplan en – zo nodig – in het kader van de handhaving van de openbare orde kan worden tegengegaan.
In de door appellanten voorgestelde oplossing behoefde verweerder geen aanleiding te zien goedkeuring aan het uitwerkingsplan te onthouden. Hij heeft daarbij in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan het argument van het college van burgemeester en wethouders dat de aan de orde zijnde langzaam verkeerverbinding door de woonwijk uit oogpunt van sociale veiligheid wenselijker is dan de door appellanten voorgestane verbinding door het voorziene buurtpark.
2.7. Gelet op het vorenstaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre, hoewel de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijk ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan.
Het beroep is ongegrond.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.
w.g. Cleton w.g. Prins
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
363.