
Jurisprudentie
AQ3631
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400244/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400244/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 16 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland (hierna: het college) aan appellant, met doorbreking van de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Woningwet, bouwvergunning verleend voor de reeds geplaatste schuur op het perceel kadastraal bekend gemeente Wester-Koggenland, sectie O, nr. 1820, plaatselijk bekend Noorddijkerweg 1 te Ursem.
Uitspraak
200400244/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het bestuur van de Rooms Katholieke Parochie H. Bavo, gevestigd te Ursem,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 december 2003 in het geding tussen:
[wederpartij A] en [wederpartij B], wonend te [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland (hierna: het college) aan appellant, met doorbreking van de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Woningwet, bouwvergunning verleend voor de reeds geplaatste schuur op het perceel kadastraal bekend gemeente Wester-Koggenland, sectie O, nr. 1820, plaatselijk bekend Noorddijkerweg 1 te Ursem.
Bij besluit van 7 november 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 december 2003, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 26 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
Op 4 maart 2004 is een reactie van [wederpartij A] en [wederpartijB] ontvangen.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door W.J. Schuijlenburg, gemachtigde, bijgestaan door mr. M.F.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door H.F. Pitstra-Venema, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
Voorts is gehoord [wederpartij A], in persoon en bijgestaan door mr. P.J.W. de Water, advocaat te Katwijk aan Zee.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Ursem 1967” rust op het betrokken perceel de bestemming “Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen”. Het aangrenzende perceel is bestemd als “Begraafplaats”.
Ingevolge artikel 3, aanhef, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften zijn de op de kaart voor “Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen” aangewezen gronden bestemd voor scholen, verenigingsgebouwen, gebouwen voor de openbare eredienst, en dergelijke, daarbij behorende gebouwen waaronder dienstwoningen, andere bouwwerken en andere werken, open terreinen waaronder parkeerplaatsen.
Ingevolge artikel 14, aanhef, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor “Begraafplaats” aangewezen gronden bestemd voor begraafplaats, daarbij behorende andere gebouwen, andere bouwwerken en andere werken.
2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Hiertoe stelt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de bestemming “Begraafplaats” deel uitmaakt van de bestemming “Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen” en derhalve op gronden met laatstgenoemde bestemming tevens een schuur ten behoeve van de begraafplaats mag worden gebouwd.
Dit betoog faalt. De aanvraag voor de bouwvergunning vermeldt als bestemming na voltooiing: “opslag materiaal kerkhof”. De planvoorschriften en de plankaart maken een duidelijk onderscheid tussen de bestemming “Begraafplaats” en de bestemming “Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen”. Ook de plansystematiek biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de bestemming “Begraafplaats” deel uitmaakt van de bestemming “Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen”.
De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat nu artikel 14 van de planvoorschriften exclusief voorziet in het oprichten van een schuur ten behoeve van een begraafplaats, wordt uitgesloten dat een dergelijke schuur zonder in strijd met de bestemming te komen, wordt opgericht op gronden die een andere bestemming hebben.
Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de omstandigheid dat de kerk en de begraafplaats nauw met elkaar verbonden zijn, niet afdoet aan het door de planwetgever gemaakte onderscheid tussen enerzijds de bestemming “Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen” en anderzijds de bestemming “Begraafplaats”.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn w.g. Nolles
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
328.