Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3626

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200402105/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 6 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Haarlem, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 januari 2002, het bestemmingsplan “Ramplaankwartier” vastgesteld.


Uitspraak

200402105/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: Tennis Promotions Overveen B.V. en [appellant b], gevestigd respectievelijk wonend te Overveen, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 6 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Haarlem, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 januari 2002, het bestemmingsplan “Ramplaankwartier” vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 september 2002, kenmerk 2002-7852, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Bij uitspraak van 6 augustus 2003, no. 200205382/1, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd, voorzover verweerder daarbij de bedenkingen van appellanten buiten beschouwing heeft gelaten en het door hen bestreden plandeel heeft goedgekeurd. Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 januari 2004, kenmerk 2003-31060, in zoverre opnieuw over de goedkeuring van het bestemmingsplan beslist. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2004, beroep ingesteld. Bij brief van 11 mei 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2004, waar appellanten, bij monde van [appellant b], bijgestaan door mr. W.J.R.M. Welschen, advocaat te Haarlem, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.F.P. van Mierlo, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. E.R. Mak, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. 2.2. Het Ramplaankwartier ligt ten westen van Haarlem. Met het bestemmingsplan wordt beoogd voor deze woonwijk een actueel planologisch kader te scheppen. 2.3. Naar aanleiding van het bezwaar van appellanten dat de Provinciale Planologische Commissie (hierna: PPC) niet is gehoord, heeft verweerder stukken overgelegd waaruit blijkt dat het goedkeuringsbesluit in concept aan de Kerngroep van de Subcommissie voor de gemeentelijke plannen en de stadsvernieuwing van de PPC is voorgelegd, naar aanleiding waarvan deze op 9 december 2003 advies heeft uitgebracht. De Afdeling ziet in dit bezwaar dan ook geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit. 2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Recreatieve doeleinden” betreffende het door hen geëxploiteerde tennispark Duinvliet, omdat dit plandeel uitbreiding van de bestaande bebouwing niet mogelijk maakt. Appellanten hebben aangevoerd dat zij de bedrijfsactiviteiten willen kunnen uitbreiden met bijvoorbeeld fitness, sauna of squash teneinde een goede exploitatie van het tennispark te kunnen waarborgen. 2.5. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij ziet geen reden aan appellanten ruimere bebouwingsmogelijkheden toe te staan en stemt in met het standpunt van de gemeenteraad dat de bestaande bebouwing van het tennispark als zodanig dient te worden bestemd. 2.6. In het plan is aan de in geding zijnde gronden de bestemming “Recreatieve doeleinden” toegekend. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor sportieve recreatie, met daarbij behorende voorzieningen. Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder b, in samenhang met artikel 4, eerste lid, onder a, voorzover hier van belang, mogen de gebouwen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken worden gebouwd. Op de plankaart is voor het in geding zijnde plandeel een viertal bouwvlakken ingetekend die blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting strak om de bestaande bebouwing zijn gelegd. 2.7. Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat het bouwoppervlak dat in het voorliggende plan aan appellanten is toegekend in feite een halvering betekent van het bebouwingspercentage dat in het vorige plan was opgenomen, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een vorig bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering op dit uitgangspunt had moeten worden gemaakt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat van gemeentewege toezeggingen zijn gedaan dat het plan in de door hen gewenste uitbreidingsmogelijkheden zou voorzien. Daarnaast komt de Afdeling het standpunt van verweerder dat appellanten niet onevenredig in hun bouwmogelijkheden worden beperkt niet onredelijk voor. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het bouwoppervlak voor gebouwen ten opzichte van het vorige plan weliswaar is verkleind, maar dat dit wordt gecompenseerd door verhoging van de maximaal toegestane goothoogte van 3,5 naar 7 meter voor het grootste bouwvlak, zodat – anders dan onder het vorige plan – aldaar bebouwing in meer etages mogelijk wordt. Voorts is ter zitting van de zijde van appellanten verklaard dat voor de exploitatie van het tennispark als zodanig de bestaande bebouwing voldoet. Tevens is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat appellanten geen concrete uitbreidingsplannen hebben. Evenmin hebben zij de bedrijfseconomische noodzaak van de door hen gewenste uitbreiding nader onderbouwd. Gelet hierop, en voorts in aanmerking genomen de ligging van het tennispark in een open gebied aan de rand van het Ramplaankwartier en in de nabijheid van het landgoed Elswout, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding bestaat aan appellanten ruimere bebouwingsmogelijkheden toe te kennen. In het verlengde hiervan bestaat er evenmin aanleiding een deel van de gronden van het tennispark te voorzien van de bestemming “Erf” met bijbehorende regeling voor aan- en bijgebouwen, zoals door appellanten bepleit. 2.8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat. w.g. Cleton w.g. Prins Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 363.