
Jurisprudentie
AQ3624
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200304911/1 en 200304880/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200304911/1 en 200304880/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 3 juli 2001 heeft de gemeenteraad van Hoorn, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 juni 2001, het bestemmingsplan “Eerste partiële herziening Westerblokker 1981” (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.
Uitspraak
200304911/1 en 200304880/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2001 heeft de gemeenteraad van Hoorn, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 juni 2001, het bestemmingsplan “Eerste partiële herziening Westerblokker 1981” (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 januari 2002, kenmerk 2001-25941, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan (Besluit l).
Bij uitspraak van 19 maart 2003 (no. 200202102/1, zie www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 mei 2003, kenmerk 2003-11329, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan (Besluit ll).
Naar aanleiding van het besluit van verweerder van 29 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Hoorn bij besluit van 8 oktober 2002, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 september 2002, het bestemmingsplan "Eerste partiële herziening Westerblokker 1981" (hierna: het artikel 30-plan) vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 mei 2003, kenmerk 2002-41754, beslist over de goedkeuring van dit bestemmingsplan (Besluit lll),
Tegen de besluiten van 6 mei 2003 hebben [appellanten sub 1] bij brief van 23 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2003, en [appellanten sub 2] bij brief van 25 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2003, beroep ingesteld.
Bij brieven van 6 november 2003 heeft verweerder verweerschriften ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 8 maart 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 17 mei 2004, waar mr. [appellanten sub 1], in de persoon van [gemachtigde], [appellanten sub 2], in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. De bestemmingsplannen voorzien in de bouw van een appartementencomplex met maximaal 18 woningen gericht op zelfstandige huisvesting van ouderen.
Het artikel 30-plan is vastgesteld naar aanleiding van het besluit van verweerder van 29 januari 2002, kenmerk 2001-25941 (Besluit l), waarbij goedkeuring was onthouden aan het bestemmingsplan wegens het ontbreken van het geledingvoorschrift in de planvoorschriften dat wél in het ontwerpplan was opgenomen. Het beroep, dat tegen dit goedkeuringsbesluit is ingesteld, is bij uitspraak van 19 maart 2003 (no. 200202102/1, zie www.raadvanstate.nl) gegrond verklaard en heeft geleid tot vernietiging van dat besluit.
Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak bij besluit van 6 mei 2003, kenmerk 2003-11329 (Besluit ll), opnieuw over het bestemmingsplan beslist en wederom goedkeuring daaraan onthouden wegens het ontbreken van het geledingvoorschrift voor de in het plan voorziene bebouwing. In de overige bedenkingen die appellanten hebben ingediend zag verweerder geen aanleiding goedkeuring aan het bestemmingsplan te onthouden.
In het artikel 30-plan is thans het geledingvoorschrift opgenomen. Voorts is de maximale bouwhoogte verlaagd tot tien meter en zijn de aanduidingen “P: parkeerplaats” en “T: trafo” op een andere plaats ingetekend. Verweerder heeft het artikel 30-plan bij besluit van 6 mei 2003, kenmerk 2002-41754 (Besluit lll), goedgekeurd.
2.2. Aan de orde zijn geschillen inzake besluiten omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van de besluiten omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
Beroepen met betrekking tot het bestemmingsplan (Besluit ll)
2.3. Appellanten kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij vinden dat verweerder niet alleen op grond van het ontbreken van een geledingvoorschrift goedkeuring had moeten onthouden. Zij stellen dat verweerder de bebouwing aan de Westerblokker ten onrechte aanmerkt als een voormalig dorpslint en, onder verwijzing naar het onderzoek dat op 11 december 1997 is uitgevoerd door deskundige ir. H. van Brederode, dat de in het plan voorziene bebouwing afbreuk doet aan de bestaande lintbebouwing, hetgeen zij in strijd achten met het Beeldkwaliteitplan De Linten (hierna: het Beeldkwaliteitplan). Zij voeren hiertoe aan dat het geledingvoorschrift niet uitsluit dat één bouwmassa kan ontstaan van 25 bij 44 meter en drie verdiepingen in het dorpslint en dat ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat in de kapverdieping niet mag worden gewoond. Zij wijzen er daarnaast op dat het plan in strijd is met het Structuurplan Groot Hoorn en dat de systematiek van het plan in strijd is met het bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder”. Zij vinden voorts dat de keuze voor meergezinswoningen, onder andere vanuit de behoefte aan woningen voor senioren, niet voldoende is onderbouwd. Appellanten stellen verder dat de parkeernorm van 1 niet toereikend is en dat niet duidelijk is waar in de toekomst geparkeerd zal gaan worden binnen de bestemming “Tuin”.
2.4. Verweerder heeft het bestemmingsplan in Besluit ll in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft daaraan goedkeuring onthouden. Hij meent dat het bestemmingsplan ten onrechte gewijzigd is vastgesteld voorzover daarbij ten aanzien van de geleding de zinsnede in artikel 3, tweede lid, onder e, van de planvoorschriften ‘waarbij de breedte van ieder gedeelte van de geleding maximaal 12 meter mag en minimaal 5 meter moet bedragen’ is geschrapt. Door het opnemen hiervan wordt naar zijn mening voorkomen dat binnen het plangebied een ongewenste bouwmassa zal worden gebouwd, die naar maat en schaal niet goed is in te passen in het voormalige lint van Westerblokker. Verweerder voert aan dat het plangebied is opgenomen in een meer verdicht deel van het voormalige lint waarin ook wat forsere gebouwen aanwezig zijn en dat de beoogde maat van de bebouwing daarmee overeenkomt. Hij vermeldt verder dat de lintbebouwing van Westerblokker is ingekapseld door nieuwbouw in Hoorn. Het Structuurplan Groot Hoorn is volgens verweerder een gedateerd document en inmiddels vervangen door de Intergemeentelijke Structuurschets voor het HES-gebied. Ten aanzien van het Beeldkwaliteitplan merkt verweerder vervolgens op dat het geen stedenbouwkundig plan is, maar een globaal beeldplan. Het is daardoor meer gericht op welstand en dat behoort niet tot de primaire afwegingen met betrekking tot een bestemmingsplan, aldus verweerder.
2.5. De Afdeling overweegt als volgt.
Door de onthouding van goedkeuring aan het plan waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellanten zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren van appellanten tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.
De Afdeling vat het beroep van appellanten daarom aldus op dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit (Besluit ll) genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.
2.5.1. De Afdeling overweegt dat ter zitting is bevestigd dat het Structuurplan Groot Hoorn dateert uit 1975 en inmiddels is opgevolgd door de Intergemeentelijke Structuurschets voor het HES-gebied en daardoor niet meer actueel is. De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Zij is dan ook van oordeel dat in het kader van deze procedure geen betekenis meer toekomt aan het Structuurplan Groot Hoorn.
2.5.2. Voorts overweegt de Afdeling dat het Beeldkwaliteitplan niet alleen ziet op welstand, maar eveneens op de randvoorwaarden voor ontwikkelingen in de kern Blokker, zodat het Beeldkwaliteitplan een rol kan spelen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Het Beeldkwaliteitplan is hierbij evenwel niet allesbepalend, maar biedt slechts een handvat en draagt derhalve een indicatief karakter.
In het Beeldkwaliteitplan is vermeld dat de kern Blokker, waarvan het plangebied deel uitmaakt, voor enige transformatie vatbaar is, waarbij de nadruk dient te liggen op het behoud van het dorpskarakter van het verstedelijkte lintdeel, door de kleinschaligheid en de diversiteit te respecteren en grootschalige bebouwing te voorkomen. Niet is gebleken dat het vorenstaande onredelijk is.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is daaromtrent gebleken dat ook verweerder bij het nemen van het bestreden besluit (Besluit ll) ervan uit is gegaan dat het dorpskarakter van het verstedelijkte lintdeel behouden dient te blijven, ondanks dat hij in het bestreden besluit spreekt van voormalige lintbebouwing aan de Westerblokker. Verweerder heeft hiermee slechts bedoeld aan te geven dat het thans niet meer een authentiek dorpslint is, maar het een verstedelijkt lint betreft dat ook elementen bevat van het vroegere dorpslint.
2.5.3. Zoals uit de stukken en het meergenoemde verhandelde ter zitting is gebleken, is het bestemmingsplan opgesteld om te voldoen aan de vraag naar ouderenhuisvesting. Aan de gronden waarop de seniorenwoningen zijn voorzien is in het bestemmingsplan de bestemming “Meergezinsbebouwing” toegekend. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften mogen niet meer dan 18 woningen worden gebouwd. Het bestemmingsvlak heeft een oppervlakte van 25 bij 44,5 meter. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen voor meergezinsbebouwing bestemd voor woondoeleinden in gestapelde vorm. De in het bestemmingsplan voorziene bebouwing zal ingevolge artikel 3, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften in twee bouwlagen met daarboven een kap(verdieping) worden gebouwd. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder e, van de planvoorschriften zal het gebouw daarnaast ten opzichte van de Westerblokker niet één bouwmassa mogen vormen, maar zal deze geleed moeten worden gerealiseerd. De maximale goothoogte respectievelijk bouwhoogte van de bebouwing is ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften 6 respectievelijk 12 meter. Deze maten kunnen na vrijstelling met 10% worden vergroot. Daarnaast is in het derde lid bepaald dat de dakhellingen van het gebouw niet meer mogen bedragen dan 55 en niet minder dan 40 graden. Het bestemmingsplan sluit voorts wonen in de kapverdieping niet uit.
2.5.4. Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de weg Westerblokker. Volgens het deskundigenbericht zijn de hoofdlijnen van het bestaande architectonische en stedenbouwkundige beeld van de Westerblokker in het Beeldkwaliteitplan correct weergegeven en is het grootste gedeelte van het lint omgeven door stedelijke uitbreidingswijken. Volgens het Beeldkwaliteitplan bestaat de in de omgeving aanwezige bebouwing grotendeels uit woningen met één of twee bouwlagen met zadeldak en wordt deze gekarakteriseerd door kleinschaligheid. De meer grootschalige bebouwing die volgens het Beeldkwaliteitplan in het centrumgebied, waartoe het plangebied behoort, aanwezig is, is het winkelcentrum De Beurs, een kerk, een verzorgingshuis, een school en een kerkgebouw annex pastorie. Deze bebouwing is volgens het deskundigenbericht hetzij wat betreft de oppervlakte hetzij wat betreft de bouwhoogte vergelijkbaar met de bebouwing die het plan mogelijk maakt. De overige (woon)bebouwing rondom het plangebied, die in de directe omgeving van het plangebied ligt, is minder groot. Niet is gebleken dat het vorenstaande onjuist is.
2.5.5. Gelet op de beschrijving in het deskundigenbericht en het Beeldkwaliteitplan van de bebouwing die aanwezig is in de nabijheid van het plangebied is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid ervan uit heeft kunnen gaan dat de in het plangebied voorziene bebouwing wat betreft de hoogte en de vormgeving van twee bouwlagen met een kap(verdieping), overeenkomstig het Beeldkwaliteitplan, in de omgeving past na het opnemen van de zinsnede ‘waarbij de breedte van ieder gedeelte van de geleding maximaal 12 meter en minimaal 5 meter moet bedragen’ in artikel 3, tweede lid, onder e, van de planvoorschriften. De Afdeling overweegt hiertoe dat verweerder heeft kunnen stellen dat met de voorgeschreven geleding van het bouwwerk een maat en een schaal worden bereikt die passen in en die zich goed verhouden tot de lintbebouwing van Westerblokker. De brieven van 4 juli 2003 en 8 juli 2003 die appellanten hebben overgelegd met een oordeel van twee door hen ingeroepen architecten leiden niet tot een ander oordeel. De opinies die in de brieven zijn vervat, zien immers niet op het geledingvoorschrift als zodanig, maar slechts op de doorwerking daarvan in het bouwplan “Villa Olthoff”. Evenmin leidt het onderzoek dat op 11 december 1997 is uitgevoerd door ir. H. van Brederode, eveneens ingeroepen door appellanten, tot een ander oordeel. Voorts heeft verweerder gezien de voorwaarden die in het bestemmingsplan worden gesteld aan de bebouwing in redelijkheid kunnen instemmen met de bouw van meergezinswoningen ten behoeve van senioren in plaats van, zoals door appellanten gewenst, vrijstaande woningen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat meergezinswoningen niet geschikt kunnen zijn voor de huisvesting voor senioren. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan zelfstandige woningen in de kapverdieping weliswaar niet uitsluit, doch dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat geen noodzaak bestaat voor zelfstandige woningen in de kapverdieping en dat de gemeenteraad dit ook niet voorstaat.
Wat betreft het bezwaar van appellanten dat de gehanteerde maatvoering van de bebouwing in het bestemmingsplan in strijd is met de systematiek die de gemeenteraad heeft gehanteerd in het bestemmingsplan “Bangert en Oosterpolder” overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de situatie in dat plangebied zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het bestemmingsplan.
2.5.6. De Afdeling overweegt voorts dat de gronden met de bestemming “Tuin” ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn bestemd voor tuinen met parkeerplaatsen en inritten. Ingevolge het tweede lid, onder b, voorzover hier van belang, is de aanleg van parkeerplaatsen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding “parkeerplaats” op de kaart en dient binnen de bestemming één parkeerplaats per binnen het plangebied te realiseren woning te worden aangelegd.
Op de plankaart staat binnen het plandeel met de bestemming “Tuin”, in het zuidoostelijke deel van het plangebied, de aanduiding “P”. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de gemeenteraad daarmee willen aangeven dat alleen op dat gedeelte van het plangebied mag worden geparkeerd. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het niet duidelijk is waar geparkeerd mag worden binnen de bestemming “Tuin”.
Voorts overweegt de Afdeling dat het plan is opgesteld om te voldoen aan de vraag naar ouderenhuisvesting. Naar het oordeel van de Afdeling kan dit dan ook het uitgangspunt zijn bij het bepalen van de parkeernorm. Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad de parkeernorm voor seniorenwoningen van 0,8-1 parkeerplaats per woning uit het CROW: ASVV 1996 als uitgangspunt heeft genomen bij het bepalen van de parkeernorm. Niet is gebleken dat hij zich hier niet op heeft mogen baseren dan wel dat in het plan wordt uitgegaan van een onjuiste parkeernorm.
2.5.7. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de in overweging 2.4. weergegeven motivering in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluit.
De beroepen van [appellanten sub 1], en [appellanten sub 2] zijn ongegrond.
Beroepen met betrekking tot het artikel 30-plan (Besluit lll)
2.6. De door appellanten aangevoerde beroepsgrond dat ten onrechte geen overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 heeft plaatsgevonden, steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.
Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking. Dit is slechts anders voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake bedenkingen in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.
De beroepen van [appellanten sub 1], en [appellanten sub 2] zijn dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.
2.7. Appellanten stellen voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het artikel 30-plan. Hiertoe voeren zij dezelfde bezwaren aan als genoemd in overweging 2.4.. Daarnaast voeren zij aan dat het transformatorhuisje ten onrechte naast het fietspad is voorzien, hetgeen overlast zal geven en dat een door verweerder gewaarmerkte kaart ontbreekt.
2.8. Voorzover appellanten stellen dat de plankaart ten onrechte niet is gewaarmerkt door verweerder stelt de Afdeling vast dat het artikel 30-plan ten tijde van de goedkeuring was uitgevoerd in een gebonden set bestaande uit plantoelichting, eindverslag inspraakprocedure, planvoorschriften en plankaart en op de voorzijde is gewaarmerkt door verweerder. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de plankaart in dit geval en in aanmerking genomen het verhandelde ter zitting eveneens afzonderlijk diende te waarmerken.
2.8.1. De Afdeling overweegt voorts dat de gemeenteraad ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verplicht is met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen.
De Afdeling stelt vast dat het artikel 30-plan ten opzichte van het bestemmingsplan gelijkluidend is, met dien verstande dat de meergenoemde zinsnede van het geledingsvoorschrift in artikel 3, tweede lid, onder e, van de planvoorschriften is opgenomen, de maximale bouwhoogte is verlaagd naar 10 meter, en dat de aanduiding “T: trafo” op een andere plaats op de plankaart is ingetekend.
Door het opnemen van de zinsnede in het geledingsvoorschrift is het artikel 30-plan vastgesteld met inachtneming van het vorengenoemde besluit tot onthouding van goedkeuring.
Gezien de overwegingen 2.5. tot en met 2.5.7. behoeven de bezwaren gericht tegen het artikel 30-plan die gelijk zijn aan de bezwaren gericht tegen het bestemmingsplan dan ook geen bespreking.
2.8.2. Voorzover appellanten stellen dat het plan ten onrechte voorziet in een transformatorhuisje naast het fietspad, aangezien dit zal leiden tot overlast, overweegt de Afdeling als volgt. Binnen het plandeel met de bestemming “Tuin” is op de plankaart in de zuidwestelijke hoek van het plangebied de aanduiding “T” aangegeven. Uit het renvooi op de plankaart blijkt dat deze aanduiding staat voor trafo. Het plan bevat echter geen voorschriften die bepalen welke betekenis dient te worden toegekend aan deze aanduiding.
Uit het voorgaande volgt dat aan de bedoelde aanduiding op de plankaart geen betekenis toekomt.
In artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften is evenwel bepaald dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwtjes ten behoeve van openbare nutsdoeleinden of van andere naar bestemming daarmee gelijk te stellen gebouwtjes, zoals bijvoorbeeld transformatorhuisjes. In de beslissing omtrent vrijstelling dient een belangenafweging gemaakt te worden, waarbij het belang van appellanten aan de orde kan komen.
2.8.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het artikel 30-plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het artikel 30-plan.
De beroepen van [appellanten sub 1], en [appellanten sub 2], voorzover ontvankelijk, zijn ongegrond.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], en [appellanten sub 2] met betrekking tot het artikel 30-plan niet-ontvankelijk voorzover het de beroepsgrond met betrekking tot artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 betreft;
II. verklaart de beroepen [appellanten sub 1], en [appellanten sub 2] voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. A. Kosto, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra w.g. van Onselen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
178-409.