
Jurisprudentie
AQ3619
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200303698/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200303698/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 9 april 2003, kenmerk 518730, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de [ vergunninghoudster) een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het winnen van zand in twee zandwinputten alsmede het ontwateren van zand en de op- en overslag van zand in twee zanddepots. De inrichting is gelegen op de percelen, plaatselijk bekend als zandwinput Heechsân en als een terrein aan de Mounekamp ongenummerd en bedrijventerrein Schuilenberg Zuid, kadastraal bekend gemeente Oostermeer, sectie M, nummers 1324, 1327 en 1331, en sectie H, nummers 901, 1170, 1373, 1386, 1399, 1400, 1402 en 1403, alsmede op de percelen, kadastraal bekend gemeente Kooten, sectie C, nummers 4, 16, 921, 1397 tot en met 1401, 1936, 1937, 2155 en 2322, en op de percelen, plaatselijk bekend als het buitengebied ten noorden van de Westerein te Kootstertille, kadastraal bekend gemeente Drogeham, sectie F, nummers 193, 194, 1866, 1868, 1875, 2105, 2107 en 2712. Dit besluit is op 28 april 2003 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200303698/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2003, kenmerk 518730, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de [ vergunninghoudster) een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het winnen van zand in twee zandwinputten alsmede het ontwateren van zand en de op- en overslag van zand in twee zanddepots. De inrichting is gelegen op de percelen, plaatselijk bekend als zandwinput Heechsân en als een terrein aan de Mounekamp ongenummerd en bedrijventerrein Schuilenberg Zuid, kadastraal bekend gemeente Oostermeer, sectie M, nummers 1324, 1327 en 1331, en sectie H, nummers 901, 1170, 1373, 1386, 1399, 1400, 1402 en 1403, alsmede op de percelen, kadastraal bekend gemeente Kooten, sectie C, nummers 4, 16, 921, 1397 tot en met 1401, 1936, 1937, 2155 en 2322, en op de percelen, plaatselijk bekend als het buitengebied ten noorden van de Westerein te Kootstertille, kadastraal bekend gemeente Drogeham, sectie F, nummers 193, 194, 1866, 1868, 1875, 2105, 2107 en 2712. Dit besluit is op 28 april 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 10 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 oktober 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door ing. J. Andringa, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door I. Wulffelé en ing. F. Vos, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door J. Broekhuizen, G.E. Doevenspek en K. van der Wiel, gemachtigden, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 14 oktober 1980 is krachtens de Hinderwet aan de [belanghebbende] een revisievergunning verleend voor een kalkzandsteenfabriek alsmede voor de winning en de op- en overslag van zand (hierna: de westelijke zandwinput en het westelijke depot).
Bij besluit van 30 augustus 1989 is krachtens de Hinderwet vergunning verleend voor het uitbreiden van de inrichting met een zandbehandelingsinstallatie en een tweede zandwinput (hierna: de oostelijke zandwinput).
Bij het bestreden besluit zijn onder meer de uitbreiding van de inrichting met een tweede depot voor de opslag van zand (hierna: het oostelijke depot) en een uitbreiding van de zandwinning vergund.
2.2. Appellant voert aan dat ten onrechte een revisievergunning voor de inrichting is verleend, aangezien de huidige inrichting geen voorzetting is van de kalkzandsteenfabriek en er in feite sprake is van een oprichtingssituatie.
2.2.1. Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag, indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.
Ingevolge het derde lid van dit artikel kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.
2.2.2. Ook indien voor een inrichting eerder een vergunning is verleend en de aangevraagde wijzigingen zodanig zijn dat feitelijk sprake is van een nieuwe inrichting dan wel van een inrichting van een geheel andere aard, verzet het stelsel van de Wet milieubeheer, met name gelet op de tekst van artikel 8.4, derde lid, zich er niet tegen dat een revisievergunning wordt verleend. Daarbij merkt de Afdeling op dat de wet geen aanwijzingen bevat dat bepaalde veranderingen wél en andere veranderingen niet in het kader van een revisievergunning kunnen worden verwezenlijkt. Nog daargelaten of sprake is van een inrichting van een geheel andere aard, verzet artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer zich er daarom niet tegen dat in het onderhavige geval een revisievergunning is verleend.
De beroepsgrond faalt.
2.3. Appellant voert aan dat de persleiding vanaf de zandwinning naar het oostelijke nieuwe depot op de tekening behorende bij de aanvulling van de aanvraag ten onrechte buiten de grenzen van de inrichting is ingetekend.
De Afdeling stelt vast dat de persleiding niet op alle tekeningen behorende tot de aanvraag is ingetekend. In het aanvraagformulier en in het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport zijn echter nadelige gevolgen voor het milieu vanwege de persleiding genoemd en zijn mogelijke maatregelen vermeld om deze nadelige gevolgen te verminderen. Uit de bewoordingen van het aanvraagformulier leidt de Afdeling verder af dat niet is beoogd de persleiding buiten de werking van de inrichting te houden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de omvang van de inrichting onvoldoende duidelijk is of dat het inrichtingenbegrip zou zijn miskend.
De beroepsgrond treft geen doel.
2.4. Appellant voert aan dat onduidelijk is of het tijdelijk afmeren van schepen onderdeel uitmaakt van de inrichting, aangezien uit de aanvraag, waaronder de tekeningen, kan worden afgeleid dat het tijdelijk afmeren van schepen wel tot de inrichting behoort, terwijl zijns inziens in het ontwerp van het besluit is vermeld dat het tijdelijk afmeren van schepen niet is vergund. In het definitieve besluit is echter geen verbod opgenomen voor het tijdelijk afmeren van schepen.
Uit de niet-technische samenvatting van de aanvraag, de in de aanvraag opgenomen vermelding van vergunningen die op basis van andere wetgeving nodig zijn en het akoestisch rapport, waarin de geluidbelasting veroorzaakt door het gebruik van de oostelijke zandwinput als wachthaven is berekend, leidt de Afdeling af dat het gebruik van de oostelijke zandwinput als wachthaven na afloop van de zandwinning is aangevraagd.
In het dictum van het bestreden besluit is bepaald dat de gevraagde vergunning overeenkomstig de gegevens die deel uitmaken van de aanvraag wordt verleend. De vergunning is niet geweigerd voor het tijdelijk afmeren van schepen noch zijn voorschriften gesteld waarin het tijdelijk afmeren van schepen is verboden. In het dictum is evenwel vermeld dat de vergunning wordt verleend ten behoeve van het winnen van zand in twee zandwinputten, alsmede het ontwateren, de op- en overslag van zand in twee zanddepots en het hebben van een bovengrondse tank voor de opslag van gasolie en gasflessen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het tijdelijk afmeren van schepen zijns inziens niet is vergund.
Gelet op het voorgaande is onduidelijk of wel of niet mede vergunning is verleend voor het tijdelijk afmeren van schepen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid.
Het beroep is in zoverre gegrond.
2.5. Appellant betoogt dat in de vergunning ten onrechte niet is aangegeven wat de bestaande en wat de nieuwe activiteiten zijn alsmede welke hinder deze activiteiten veroorzaken. Volgens hem blijkt onvoldoende uit de vergunning hoe groot de uitbreiding van de zandwinput in oppervlakte is en welke activiteiten een hogere geluidbelasting dan voorheen veroorzaken op de gevel van de woning gelegen aan de [locatie 1].
In de vergunning zijn de reeds vergunde activiteiten en de aangevraagde veranderingen ten opzichte van de al bestaande inrichting beschreven. In zoverre mist het beroep feitelijke grondslag.
Nu een revisievergunning is verleend hoeft in de vergunning geen onderscheid te worden gemaakt tussen de hinder vanwege de uitbreiding van de inrichting en de hinder vanwege de bestaande inrichting.
De beroepsgrond slaagt niet.
2.6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.
2.7. Appellant vreest toekomstige verzakkingen aan zijn woning als gevolg van de zandwinning.
De Afdeling overweegt dat een beoordeling van de effecten van zandwinning op de bodem aan de orde kan komen in de procedure voor het verlenen van een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet, aangezien die wet het daarvoor bestemde toetsingskader vormt. De beroepsgrond faalt.
2.8. Appellant heeft zich in het beroepschrift voorzover het de toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van zijn woonomgeving en omtrent het industrieterrein Schuilenburg-Zuid betreft, beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenking dienaangaande. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenking. Appellant heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenking in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenking onjuist zou zijn.
De beroepsgrond treft geen doel.
2.9. Appellant vreest een toename van de geluidbelasting vanwege de inrichting, omdat hogere geluidgrenswaarden zijn gesteld dan voorheen. Naar zijn mening is bij het stellen van de geluidgrenswaarden ten onrechte nagelaten het referentieniveau van het omgevingsgeluid te bepalen en is dit slechts geschat. Volgens appellant is de geluidbelasting vanwege de inrichting hoger dan het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid, zodat verweerder in het onderhavige geval bij het stellen van de geluidgrenswaarden ten onrechte geen bestuurlijke afweging heeft gemaakt. Verder voert hij aan dat de inrichting niet geheel is gelegen op het gezoneerde industrieterrein, zodat de geluidbelasting vanwege de inrichting alleen zou moeten worden getoetst aan het referentieniveau van het omgevingsgeluid en niet aan de geluidzone om het industrieterrein. Voorzover de geluidbelasting vanwege de inrichting is getoetst aan de geluidzone betoogt hij dat hierbij in het akoestisch rapport de geluidbelasting vanwege activiteiten in het westelijke depot ten onrechte niet is meegenomen.
2.9.1. Verweerder betoogt dat de inrichting gedeeltelijk op en deels buiten het industrieterrein is gelegen. Hij heeft daarom naast de zonetoetsing tevens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gehanteerd. Bij het stellen van de geluidgrenswaarden voor activiteiten buiten het gezoneerde industrieterrein is aangesloten bij het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid, dat is bepaald aan de hand van de vastgestelde geluidzones van de in de buurt gelegen industrieterreinen en de provinciale weg. Nu de geluidniveaus van de verschillende bedrijfstoestanden in de inrichting gelijk zijn aan of lager zijn dan dit referentieniveau is volgens verweerder geen bestuurlijke afweging nodig. Ten aanzien van de activiteiten gelegen op het gezoneerde industrieterrein stelt hij dat de zandzuiger de grootste geluidbelasting veroorzaakt, waarbij het geluid veroorzaakt door activiteiten in het westelijke depot verwaarloosbaar is, zodat alleen de geluidbelasting van de zandzuiger is getoetst aan de zonegrenswaarde van 50 dB(A).
2.9.2. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden in acht, voorzover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit de artikelen 41, 46 tot en met 50, 53, 65 tot en met 68 of 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.
Ingevolge artikel 53 van de Wet geluidhinder, voorzover hier van belang, moet de gemeenteraad binnen twee jaar na het tijdstip van in werking treden van dit hoofdstuk voor elk binnen zijn gemeente gelegen terrein dat op dat tijdstip reeds een bestemming heeft, die de mogelijkheid van vestiging van inrichtingen, behorende tot een krachtens artikel 41 aangewezen categorie, insluit, een rond dat terrein gelegen zone vaststellen, waarbuiten de geluidbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.
2.9.3. De Afdeling stelt vast dat het westelijke zanddepot en het noordelijke gedeelte van de westelijke zandwinput zijn gesitueerd op het gezoneerde industrieterrein “Schuilenburg-Zuid”. Rondom dat industrieterrein is krachtens de Wet geluidhinder een geluidszone vastgesteld, waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Het overige deel van de inrichting is gesitueerd in landelijk gebied, maar ligt binnen de geluidszones van de gezoneerde industrieterreinen “Schuilenburg-Zuid” en “Kootstertille-West”. Gelet op artikel 41 van de Wet geluidhinder in samenhang met artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is de onderhavige inrichting geen ‘grote lawaaimaker’.
Blijkens het verhandelde ter zitting heeft verweerder bij de beoordeling van het geluidaspect de geluidbelasting vanwege de activiteiten in het deel van de inrichting dat is gelegen op het gezoneerde industrieterrein getoetst aan de geldende zonegrenswaarde krachtens de Wet geluidhinder en heeft hij voor de geluidbelasting vanwege de activiteiten in het deel dat daarbuiten is gelegen de Handreiking gehanteerd.
Verweerder heeft in voorschrift 3.1 geluidgrenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, uitgedrukt in geluidcontouren, per deelactiviteit van de inrichting alsmede geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor het gelijktijdig uitvoeren van verschillende deelactiviteiten.
2.9.4. Gezien het deskundigenbericht alsmede het akoestisch rapport van Oranjewoud van 13 mei 2002 (hierna: het akoestisch rapport) acht de Afdeling het aannemelijk dat bij naleving van de gestelde geluidgrenswaarden, uitgedrukt in geluidcontouren, voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor het winnen van zand, voorzover dat plaatsvindt op het gezoneerde industrieterrein, voor het opslaan van zand in het westelijke zanddepot en voor het afgraven van de uitbreiding van de westelijke zandwinput de zonegrenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden. Noch is overigens gebleken dat bij naleving van deze geluidgrenswaarden enige andere in artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer genoemde waarde wordt overschreden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer niet in acht heeft genomen.
In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.
2.9.5. Ten aanzien van de activiteiten van de inrichting die buiten het gezoneerde industrieterrein worden verricht overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft verweerder de inrichting aangemerkt als een bestaande inrichting. In de Handreiking wordt, voor het geval dat het bevoegd gezag geen eigen nota industrielawaai heeft vastgesteld, verwezen naar de systematiek van de circulaire Industrielawaai. Hierin wordt de volgende werkwijze bij het verlenen van een vergunning voor een bestaande inrichting aangeraden:
- bij herziening van vergunningen worden de richtwaarden volgens tabel 4 steeds opnieuw getoetst;
- overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid;
- overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijke afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen.
In de Handreiking wordt het referentieniveau gedefinieerd als de hoogste waarde van de volgende geluidniveaus:
- het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van de zogenaamde “niet-omgevingseigen bronnen”;
- het optredende equivalente geluidniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen, minus 10 dB(A).
Verweerder heeft bij het stellen van de geluidgrenswaarden voor de activiteiten van de inrichting die worden verricht buiten het gezoneerde industrieterrein aansluiting gezocht bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Hij heeft het referentieniveau van het omgevingsgeluid bepaald aan de hand van de vastgestelde geluidzones van de in de buurt gelegen industrieterreinen en het geluid afkomstig van de provinciale weg. Hij heeft daarbij het referentieniveau van het omgevingsgeluid bij de woning van appellant gelijkgesteld aan de gecumuleerde equivalente geluidniveaus van de zones.
In het deskundigenbericht wordt erop gewezen dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet kan worden gelijkgesteld aan het equivalente geluidniveau van geluidzones, omdat het referentieniveau van het omgevingsgeluid per definitie lager is dan het equivalente geluidniveau. Bovendien kan het feitelijke equivalente geluidniveau vanwege industrieterreinen lager uitvallen dan de waarde die de geluidbelasting vanwege industrieterreinen ingevolge de Wet geluidhinder niet te boven mag gaan. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze bevindingen te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling is het referentieniveau van het omgevingsgeluid dan ook onjuist bepaald. Verweerder heeft daarom onvoldoende onderzocht of de gestelde geluidgrenswaarden in de vorm van geluidcontouren toereikend zijn ter beperking van de geluidhinder vanwege de activiteiten van de inrichting buiten het industrieterrein. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
Gelet op het voorgaande zijn de gestelde geluidgrenswaarden voor totale geluidniveaus van gelijktijdige op en buiten het gezoneerde industrieterrein uitgevoerde activiteiten eveneens gebaseerd op onvoldoende onderzoek.
De beroepsgrond treft in zoverre doel.
2.10. Appellant voert aan dat de geluidhinder vanwege het vrachtverkeer van en naar het oostelijke zanddepot van de inrichting onjuist is beoordeeld, omdat niet is uitgegaan van een maximale situatie met 250 vrachtwagens. Verder stelt hij dat bij de woningen gelegen aan de [locatie 1], waaronder de woning van appellant, en woningen gelegen aan de N369, waaronder de woning gelegen aan de [locatie 2] (bedoeld is: [locatie 2]; beoordelingspunt 2 in het akoestisch rapport), de geluidhinder vanwege het vrachtverkeer van en naar de inrichting moet worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting. Volgens hem is onduidelijk of bij dan wel in deze woningen de grenswaarden uit de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire) kunnen worden nageleefd.
2.10.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de woning van appellant niet hoeft te worden gevreesd voor geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting. Ter plaatse van de woningen gelegen aan de N369, waaronder de woning gelegen aan de [locatie 2], en in de nabijheid van het oostelijke zanddepot wordt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet overschreden.
2.10.2. Volgens de circulaire wordt aan de geluidbelasting veroorzaakt door aan de inrichting toe te rekenen verkeersbewegingen buiten het terrein van de inrichting, uitsluitend een maximum gesteld in de vorm van een gemiddelde geluidbelasting in een etmaal, en niet meer tevens een maximum aan de geluidbelasting op een bepaald moment (piekniveau). In de circulaire wordt geadviseerd om voor de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) als etmaalwaarde aan te houden.
De geluidhinder vanwege vrachtverkeer van en naar een inrichting kan niet meer aan het in werking zijn van een inrichting worden toegerekend, indien dit verkeer ter plaatse van woningen kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Het verkeer van en naar de inrichting onderscheidt zich dan ter plaatse van de woningen door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.
Niet in het geding is dat ter plaatse van de [locatie 2] het verkeer van en naar het oostelijke zanddepot van de inrichting zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden en dat de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting aldaar daarom kan worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting. Gelet op de tekeningen behorende bij de aanvraag alsmede het deskundigenbericht acht de Afdeling het niet aannemelijk dat bij de overige woningen het verkeer van en naar het oostelijke zanddepot van de inrichting zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de geluidhinder veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van die woningen niet kan worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting.
Uit het akoestisch rapport leidt de Afdeling af dat bij de berekening van de geluidhinder vanwege het vrachtverkeer van en naar het oostelijke zanddepot van de inrichting is uitgegaan van maximaal 250 vrachtwagens per dag. In het rapport wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de woning gelegen aan de [locatie 2] de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) door de geluidbelasting vanwege het vrachtverkeer niet wordt overschreden. De aan deze conclusie ten grondslag liggende berekening ontbreekt echter in de bijlagen behorende bij het akoestisch rapport, zodat niet kan worden beoordeeld of deze conclusie juist is. Verweerder heeft hier niet om gevraagd en dit aspect niet zelf onderzocht.
Voorts is verweerder, gezien de reactie op de bedenkingen in het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting, bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting uitgegaan van een gemiddelde situatie van 35 vrachtwagens per dag. Bij de beoordeling van de hinder vanwege het vrachtverkeer van en naar het oostelijke zanddepot moest echter worden uitgegaan van 250 vrachtwagens per dag, omdat dit aantal vrachtwagens de inrichting kan aandoen tijdens pieken in de afvoer van zand.
Gelet op het voorgaande is verweerder bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege het vrachtverkeer van en naar de inrichting uitgegaan van een onjuist aantal vrachtwagens en heeft hij tevens onvoldoende onderzocht of bij dit aantal vrachtwagens de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) kan worden nageleefd. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
De beroepsgrond slaagt.
2.11. Nu het geluidaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de vergunning, zoals aangevraagd, kan worden verleend is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient geheel te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
2.12. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 9 april 2003, kenmerk 518730;
III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00; het bedrag dient door de provincie Fryslân te worden betaald aan appellant;
IV. gelast dat de provincie Fryslân aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Kuipers
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
271-372.