Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3618

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200302638/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 24 mei 1996 hebben verweerders het streekplan “Zuid-Holland West” (hierna: het oude streekplan) vastgesteld.


Uitspraak

200302638/1. Datum uitspraak: 21 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, 2. de vereniging "Vereniging van Vrienden van Wassenaar", gevestigd te Wassenaar, 3. [appellante sub 3], gevestigd te Wassenaar, appellanten, en provinciale staten van Zuid-Holland, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 24 mei 1996 hebben verweerders het streekplan “Zuid-Holland West” (hierna: het oude streekplan) vastgesteld. Bij besluit van 17 januari 1997 en de afzonderlijke besluiten van 5 maart 1997 hebben verweerders de hiertegen door appellanten ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 december 2000, no. E01.97.0151-1, heeft de Afdeling de beroepen van appellanten tegen deze besluiten gegrond verklaard. Bij besluit van 19 februari 2003 (hierna: het heroverwegingsbesluit) hebben verweerders opnieuw omtrent de bezwaren beslist en hebben zij deze ongegrond verklaard. Daarnaast hebben verweerders bij besluit van 19 februari 2003 het nieuwe streekplan “Zuid-Holland West” (hierna: het nieuwe streekplan) vastgesteld. Tegen het heroverwegingsbesluit hebben het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar bij brief van 11 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2003, de Vereniging van Vrienden van Wassenaar bij brief van 10 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2003, en [appellante sub 3] bij brief van 11 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2003, beroep ingesteld. [Appellante sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 14 mei 2003. Bij brief van 10 oktober 2003 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2004, waar het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, vertegenwoordigd door drs. S.L. van Goldberdinne, ambtenaar van de gemeente, de Vereniging van Vrienden van Wassenaar, vertegenwoordigd door dr. F.J.J. Brinkman, gemachtigde, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. D. Pool, gemachtigde, en bijgestaan door [directielid], en verweerders, vertegenwoordigd door B. de Bles, en bijgestaan door mr. D.I.M. Felderhof, J.C. Martin, W. van den Enden, ambtenaren van de provincie, en [partij], zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447). Uit artikel VI, derde lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het besluit tot vaststelling van het plan is bekend gemaakt vóór 3 april 2000, wat betreft de mogelijkheid van het instellen van beroep moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. 2.2. De Afdeling stelt vast dat verweerders het besluit omtrent de vaststelling van het nieuwe streekplan op dezelfde datum hebben genomen als het heroverwegingsbesluit. Het nieuwe streekplan omvat hetzelfde grondgebied als het oude streekplan, zodat het oude streekplan in zijn geheel wordt vervangen door het nieuwe streekplan. Gezien de omstandigheden dat het heroverwegingsbesluit ziet op het besluit uit het oude streekplan betreffende de uitbreiding van de zandwinning in de Ommedijkse Polder en dat het oude streekplan geheel, dus ook het genoemde besluitonderdeel, is vervangen door het nieuwe streekplan, kan aan het heroverwegingsbesluit geen betekenis meer toekomen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat appellanten geen belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen. De beroepen zijn derhalve niet ontvankelijk. 2.3. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om de provincie te gelasten het betaalde griffierecht aan appellanten te vergoeden. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het niet gelasten van de provincie om het betaalde griffierecht aan appellanten te vergoeden apert onbillijk zou zijn. De Afdeling overweegt hieromtrent dat verweerders het heroverwegingsbesluit op 19 februari 2003 hebben genomen, derhalve ruim twee jaar na de uitspraak van 14 december 2000. Op dezelfde datum hebben verweerders het nieuwe streekplan vastgesteld. Door toedoen van verweerders, vanwege het laat nemen van het heroverwegingsbesluit in combinatie met het in procedure brengen van een nieuw streekplan, is derhalve het procesbelang van appellanten vervallen. Verweerders hebben appellanten evenwel ten onrechte in de veronderstelling doen verkeren dat de beslissing uit het heroverwegingsbesluit voorzover het betrekking heeft op de uitbreiding van de zandwinning in de Ommedijkse polder was gehandhaafd, ondanks het feit dat een nieuw streekplan was vastgesteld voor dit gebied, en dat beroep openstond tegen het heroverwegingsbesluit. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding de provincie te gelasten het betaalde griffierecht aan appellanten te vergoeden. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen niet-ontvankelijk; II. gelast dat de provincie van Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00 voor ieder afzonderlijk) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Langeveld Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004 317-409.