
Jurisprudentie
AQ3438
Datum uitspraak2004-05-13
Datum gepubliceerd2004-07-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1632 AOR + 03/1633 AOR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1632 AOR + 03/1633 AOR
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij degenen die niet voldoen aan Joodse afstammingseisen als neergelegd in art. 2 onder a, Reglement - waarvoor een fictie geldt - moet sprake zijn geweest van daadwerkelijke maatregelen van vervolging of van beroving door de Duitse bezetter.
Uitspraak
03/1632 AOR + 03/1633 AOR
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, uiteengezette gronden heeft mr. M.R. Roethof, advocaat te Arnhem, als gemachtigde van appellante bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 januari 2003, nummers 01/2257 en 02/1497 WET. Bij die uitspraak is - voorzover thans nog van belang - het beroep dat appellante had ingesteld tegen een besluit van gedaagde van 11 juli 2002 ongegrond verklaard.
Namens gedaagde is door mr. S. Verhage, advocaat te ‘s-Gravenhage, een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.
Appellante heeft vervolgens nadere stukken doen inzenden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 april 2004. Aldaar is appellante in persoon verschenen met bijstand van mr. L. Beckers, advocaat te Arnhem, als haar raadsvrouw, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Verhage voornoemd.
II. MOTIVERING
Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak, met het volgende.
Ter uitvoering van het besluit van de Nederlandse regering om ten behoeve van de Joodse gemeenschap een bedrag ter beschikking te stellen als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog en daarmee uitdrukkelijk finaal recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dit heeft gehad voor hun verdere bestaan, is op 4 december 2000 (i.w.t. 8 januari 2001) door gedaagde tot stand gebracht het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid (Stct. 8 januari 2001, nr. 5), hierna te noemen: het Reglement.
Ingevolge artikel 2 van het Reglement worden als belanghebbenden in de zin van dit reglement beschouwd:
a. de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945 uit tenminste één Joodse ouder en twee Joodse grootouders aan de kant van de betreffende ouder, alsmede
b. de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945, die wegens hun Joods zijn in of vanuit Nederland zijn vervolgd dan wel beroofd,
voorzover deze onder a) en b) bedoelde personen gedurende de periode van de Tweede Wereldoorlog enige tijd woonplaats binnen het Koninkrijk der Nederlanden hadden en op 8 mei 1945 nog in leven waren.
Ingevolge artikel 6 van het Reglement kan gedaagde in bijzondere gevallen tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar zijn oordeel bij de toepassing van het Reglement mochten voordoen.
Gedaagde heeft de aanvraag van appellante van oktober 2001 om een uitkering als plaatsvervanger van haar overleden moeder als rechtstreeks belanghebbende ingevolge het Reglement afgewezen bij na bezwaar genomen besluit van 11 juli 2002, dit op de grond dat aan de onder artikel 2, aanhef en onder a en b, van het Reglement gestelde vereisten niet is voldaan. Overwogen is daarbij dat de moeder van appellante blijkens de gegevens van het bevolkingsregister één Joodse grootouder had, en dat voorts uit het ingestelde onderzoek niet is gebleken van daadwerkelijke vervolging of beroving van de moeder van appellante vanwege haar Joodse afkomst.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen genoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij vooropgesteld dat weliswaar sprake is van een onvolkomen mandatering van beslissingsbevoegdheid nu het op zich, blijkens het verslag van een bestuursvergadering van 1 maart 2001, wel verleende mandaat niet overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekend is gemaakt, maar dat dit gebrek niet tot vernietiging van het bestreden besluit behoeft te leiden nu gedaagde dit besluit in de beroepsprocedure materieel heeft onderschreven en appellante niet in haar belangen is geschaad.
Voorts is overwogen, kort samengevat, dat appellante niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar moeder wel voldeed aan de in artikel 2 van het Reglement opgenomen, binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijvende criteria, en dat de in artikel 6 van het Reglement opgenomen anti-hardheidsbepaling niet kan dienen om tot uitbreiding van de doelgroep te geraken.
In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de opvatting van de rechtbank over de mandaatskwestie bestreden. Appellante heeft haar hoger beroep verder geconcentreerd rond een drietal grieven, welke samengevat luiden als volgt:
- gedaagde is met de criteria als gesteld in artikel 2 van het Reglement niet gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, nu daarmee aan de doelstelling van het Reglement onvoldoende recht wordt gedaan;
- subsidiair: aan het in artikel 2, aanhef en onder b, van het Reglement moet geacht worden te zijn voldaan, nu uit allerlei familieomstandigheden valt af te leiden dat er bij de moeder van appelante een gegronde vrees bestond voor vervolging vanwege haar Joodse afkomst;
- meer subsidiair: het getuigt van bijzondere hardheid om de moeder van appellante niet onder het toepassingsbereik van het Reglement te brengen.
De Raad ziet, evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, deze grieven geen doel treffen.
In het bijzonder heeft ook de Raad noch in de stukken betreffende de totstandkoming van het besluit van de Nederlandse regering tot rechtsherstel - waaronder met name de brief terzake van de Minister-president aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 maart 2000 (kamerstukken II, 1999-2000, 25839, nr. 13) - noch in andere gegevens aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de in het Reglement neergelegde doelgroepomschrijving in strijd is met hetgeen de regering bij haar besluitvorming voor ogen stond dan wel anderszins de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten is gegaan. In dit verband acht de Raad mede van belang dat de uitgangspunten voor de verdeling van de door de regering ter beschikking gestelde gelden in overleg met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap zijn opgesteld. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de in het Reglement neergelegde criteria aanmerkelijk ruimer zijn gekozen in vergelijking met het op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 geldende, naar door de Duitse bezetter terzake gehanteerde regels uitgelegde, begrip vervolging.
Blijkens het gestelde in artikel 2, aanhef en onder b, van het Reglement dient - anders dan bij het gestelde onder a, waarin die omstandigheden geacht worden zich te hebben voorgedaan - sprake te zijn geweest van daadwerkelijk ondervonden maatregelen van vervolging dan wel van beroving. Dat betekent dat enkel vrees voor vervolging niet voldoende is om aan te nemen dat aan dit onderdeel van het Reglement is voldaan. Uit het door gedaagde ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek - waarbij onder meer de in dit opzicht ter beschikking staande historische archieven zijn geraadpleegd - is van enige daadwerkelijke vervolgingsmaatregel jegens de moeder van appellante of van haar beroving niet gebleken. Van de zijde van appellante zijn evenmin concrete gegevens aangedragen die daarop wijzen.
Ook overigens kan de Raad de uitspraak van de rechtbank, voorzover in hoger beroep aangevochten, geheel onderschrijven. Hetgeen appellante dienaangaande heeft doen aanvoeren heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) P.W.J. Hospel.