Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2948

Datum uitspraak2004-07-15
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/753118-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

[...] Verdachte heeft gedurende een periode van een half jaar samen met [medeverdachte] amfetamine verkocht en verstrekt. De schadelijke gevolgen van harddrugsgebruik voor de volksgezondheid en de nadelige bij-effecten van de handel in verdovende middelen zijn algemeen bekend. Mede daarom dient streng tegen dergelijke delicten te worden opgetreden. Dat verdachte volgens zijn verklaring niet uit winstbejag handelde, doet daaraan niets af. Voorts heeft verdachte hoeveelheden GHB voorhanden gehad, welke stof eveneens grote gevaren voor de gezondheid kan opleveren. [...]


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER (VERKORT VONNIS) parketnummer 09/753118-04 rolnummer 0013 's-Gravenhage, 15 juli 2004 De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres], thans preventief gehecht in de Penitentiair Inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring De Schie, te Rotterdam. De terechtzitting. Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 01 juli 2004. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr G.F. van der Hardt Aberson, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. De officier van justitie mr Barkhuijsen heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen 3, 4, 5, 6, 11, 27, 28, 29, 32, 36, 37, 38, 40, 43, 45, 60, 61, 62, 63 en 67 zullen worden verbeurdverklaard, en dat de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 7, 8, 13, 14, 16, 30, 31, 33, 34, 35, 39, 46, 48 en 50 t/m 59 zullen worden ontrokken aan het verkeer. De voorwerpen genummerd 1, 2, 9, 10, 12, 15, 17 t/m 26, 41, 42, 44, 47, 49, 64, 65, 66 en 68 t/m 73 kunnen worden teruggegeven aan verdachte. De telastlegging. Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de bijgevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A. Nummering van de telastlegging. De rechtbank merkt op dat tengevolge van een kennelijke schrijffout het 3e telastgelegde feit is genummerd als 4. Er is derhalve geen feit 3 telastgelegd. Vrijspraak. De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 4 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij vijf viagra-pillen heeft gehad, waarvan hij er één heeft weggegeven. Of dit ook daadwerkelijk viagra-pillen waren kan echter niet worden vastgesteld. Er zijn immers geen viagra-pillen bij verdachte of de medeverdachte aangetroffen, zodat een deskundigenrapport over de samenstelling van de pillen ontbreekt. Het valt bovendien niet uit te sluiten dat de pillen vervalsingen waren en mogelijk andere bestanddelen bevatten dan echte viagra-pillen. De bewijsmiddelen. P.M. De bewezenverklaring. Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden. Strafmotivering. Na te melden straf, bijkomende straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft gedurende een periode van een half jaar samen met [medeverdachte] amfetamine verkocht en verstrekt. De schadelijke gevolgen van harddrugsgebruik voor de volksgezondheid en de nadelige bij-effecten van de handel in verdovende middelen zijn algemeen bekend. Mede daarom dient streng tegen dergelijke delicten te worden opgetreden. Dat verdachte volgens zijn verklaring niet uit winstbejag handelde, doet daaraan niets af. Voorts heeft verdachte hoeveelheden GHB voorhanden gehad, welke stof eveneens grote gevaren voor de gezondheid kan opleveren. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest. De rechtbank heeft kennisgenomen van het voorlichtingsrapport van het Psycho-medisch centrum Parnassia d.d. 08 juni 2004. Verdachte heeft last van slaapapneu en heeft een verwijde aorta. Het enige dat tegen de verwijde aorta te doen is, is niet te zwaar worden en niet teveel lichamelijke inspanning. De twee ziektebeelden beïnvloeden elkaar voortdurend. Het is zeer waarschijnlijk, aldus verdachte, dat als de detentie lang gaat duren verdachte zijn baan zal verliezen. De rapporteur adviseert een zo kort mogelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen naast een ruim voorwaardelijk deel. Daarnaast valt een taakstraf te overwegen. Het opleggen van een bijzondere voorwaarde tot reclasseringstoezicht lijkt niet geïndiceerd. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur passend en geboden is. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dient verdachte ervan te weerhouden zich nogmaals aan soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken. Inbeslaggenomen voorwerpen. De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 3, 4, 5, 6, 11, 27, 28, 29, 32, 36, 37, 38, 40, 43, 45, 60, 61, 62, 63 en 67 verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met betrekking tot, dan wel met behulp van deze aan verdachte toebehorende voorwerpen de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dan wel voorbereid. De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 7, 8, 13, 14, 16, 30, 31, 33, 34, 35, 39, 46, 48 en 50 tot en met 59 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, terwijl voldoende aannemelijk is dat deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 1, 2, 9, 10, 12, 15, 17 tot en met 26, 41, 42, 44, 47, 49, 64, 65, 66 en 68 tot en met 73. De toepasselijke wetsartikelen. De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen: - 9, 14g, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; - 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijsten I en II. Beslissing. De rechtbank, verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 4 lastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD; ten aanzien van feit 2: OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 3, ONDER C, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 MAANDEN; bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 8 MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; in verzekering gesteld op : 29 maart 2004, in voorlopige hechtenis gesteld op : 01 april 2004, heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf; veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot: een taakstraf, bestaande uit een WERKSTRAF, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 180 UREN; beveelt voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 DAGEN; verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 3, 4, 5, 6, 11, 27, 28, 29, 32, 36, 37, 38, 40, 43, 45, 60, 61, 62, 63 en 67; verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 7, 8, 13, 14, 16, 30, 31, 33, 34, 35, 39, 46, 48 en 50 tot en met 59; gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 2, 9, 10, 12, 15, 17 tot en met 26, 41, 42, 44, 47, 49, 64, 65, 66 en 68 tot en met 73; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; Dit vonnis is gewezen door mrs Verkleij, voorzitter, Van den Boom en Zuidema, rechters, in tegenwoordigheid van mr Schuurmans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2004.