Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2770

Datum uitspraak2004-07-07
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3922 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Heeft gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was? Bevoegdheid voor toepassing aan het bepaalde in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO.


Uitspraak

02/3922 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 11 juli 2002, onder nummer AWB 00/8234 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 mei 2004, waar appellante niet is verschenen, en waar voor gedaagde is verschenen M.L. Turnhout, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante was sedert 1 september 1998 werkzaam via agrarisch uitzendbureau Van Bergen te Poeldijk als medewerkster bloembollenteelt. Op 4 januari 1999 is zij uitgevallen vanwege psychische klachten en flauwtes. Op 4 oktober 1999 is appellante onderzocht door verzekeringsarts D. Gopal, die nadat informatie was verkregen van de behandelaars van appellante, concludeerde dat appellante reeds sedert 1990 beperkingen had als gevolg van convulsies, waarvoor eigenlijk nooit een afdoende verklaring was gevonden, dat zij gezien de bevindingen bij de anamnese en de beschikbare medische informatie enigszins beperkt leek in haar psychisch functioneren en dat die beperkingen al voor de aanvang van de verzekering bestonden. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellante vastgelegd in een Formulier Informatie Systeem VA/AD. Nadat de arbeidsdeskundige A.M. Zierikzee informatie had ingewonnen over de aard en zwaarte van appellantes werk is appellante voor dit eigen werk geschikt geacht, waarna gedaagde bij besluit van 10 december 1999 heeft geweigerd appellante uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij het bestreden besluit na bezwaar van 21 juni 2000 heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd en zich subsidiair op het standpunt gesteld dat appellante arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering dan wel dat uitval binnen zes maanden na aanvang van de verzekering moest worden verwacht. Ter zitting van de rechtbank heeft gedaagde zich primair op het standpunt gesteld dat appellante bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft appellante doen onderzoeken door W.A. Dijken, psychiater te ’s-Gravenhage. Deze heeft in zijn rapport van 20 februari 2002 geconcludeerd dat bij appellante sinds 1990 sprake is van een conversiestoornis met toevallen en dat de klachten en bijpassende belastbaarheid op 1 september 1998 en 3 januari 2000 ongewijzigd waren. Hij achtte appellante vanwege de beperkte belastbaarheid voor geen enkele functie geschikt. De rechtbank heeft met overneming van de conclusies van Dijken geoordeeld dat appellante bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was en het beroep ongegrond verklaard. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de conclusies van psychiater Dijken heeft gevolgd. Appellante betwist dat haar beperkingen al sedert 1990 bestaan en dat haar gezondheidstoestand op 1 september 1998 en 3 januari 2000 ongewijzigd was. Naar de mening van appellante heeft Dijken uitsluitend bij gebreke van een andere oorzaak voor appellantes sedert 1990 bestaande hoofdpijnklachten geconcludeerd dat de door hem geconstateerde conversiestoornis met toevallen of convulsies waaraan appellante sedert september 2001 lijdt bij haar al in 1990 aanwezig was. De neurologen hebben in de negentiger jaren niet een dergelijk harde neurologische diagnose kunnen stellen. Voorts heeft appellante in de jaren na 1990 nog gewerkt. De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, zoals dat artikel luidde ten tijde in geding, is het Lisv bevoegd met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten algehele arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Appellante heeft een rapport overgelegd van 7 maart 2000 van psychiater R.W. Jessurun. Uit dat rapport blijkt dat appellante al 10 jaar last van flauwtes had, dat Jessurun de diagnose paniekstoornis zonder agorafobie, depressieve stoornis en partnerrelatieprobleem heeft gesteld met hoofdpijnklachten en lichaamspijnen en dat hij haar op grond van haar klachten volledig arbeidsongeschikt acht. De Raad ziet, mede gelet op de conclusies van psychiater Jessurun, geen aanleiding de conclusies van psychiater Dijken niet te volgen. Derhalve is de Raad van oordeel dat appellante bij aanvang van de verzekering op 1 september 1998 op medische gronden volledig arbeidsongeschikt was te achten. Dat appellante in de jaren negentig nog wel enige arbeid heeft verricht, doet hier niet aan af. Gedaagde was dan ook bevoegd toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO. De Raad is niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat gedaagde in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand kan blijven en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004. (get.) M.C. Bruning. (get.) J. Verrips. Gw