
Jurisprudentie
AQ2718
Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3236 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3236 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
WAO-schatting. Heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten de deskundige in de gelegenheid te stellen te reageren op de reacties die de verzekeringsartsen hebben gegeven op het rapport van die deskundige?
Uitspraak
02/3236 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond onder dagtekening
1 mei 2002 (reg.nr. 01/550 WAO K1) tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Bij dit verweerschrift is een verklaring van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen gevoegd.
Bij schrijven van 20 mei 2003 is van de zijde van appellante nog een verklaring van de behandelend psychiater R.J.M. Mooren overgelegd, waarop van de zijde van gedaagde bij schrijven van 23 juni 2003 is gereageerd.
Nadien zijn bij de Raad nog enkele gedingstukken binnengekomen waarin partijen over en weer hebben gereageerd op elkaars standpunten.
Op verzoek van de Raad heeft de door de rechtbank ingeschakelde deskundige
P.B. van Denderen, psychiater te Sittard, op 29 januari 2004 een aanvullend rapport uitgebracht, waarop beide partijen hebben gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 april 2004, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.
Appellante, geboren op 7 januari 1950, is op 8 november 1999 wegens rugklachten (hernia) uitgevallen voor haar parttime werkzaamheden van interieurmedewerkster bij Gran Dorado Leisure N.V. te Rotterdam, waarna per einde wachttijd een beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft plaatsgevonden. Nadat de verzekeringsarts J.T.H.M. Jagt appellante had onderzocht, is deze in zijn rapport van 25 juli 2000 tot de conclusie gekomen dat appellante vanwege haar rugklachten beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een zogenoemd FIS-patroon opgesteld. Blijkens zijn rapport van 31 augusus 2000 is de arbeidsdeskundige T.P.G.M. Schattorjé tot de conclusie gekomen dat appellante niet geschikt is voor haar eigen werk maar nog wel geschikt voor onder meer de functies melkmonsterneemster, consultatiebureau assistente en medewerkster invoer. Op basis van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15-25%.
Bij besluit van 5 september 2000 is appellante in overeenstemming met dit rapport meegedeeld dat zij met ingang van 6 november 2000 in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Aangezien appellante in het refertejaar ook nog werkzaamheden als aspergesteekster had verricht en de arbeidsdeskundige Schattorjé in zijn voormelde rapport van 31 augustus 2000 abusievelijk geen rekening met dit gegeven had gehouden, heeft hij op 15 november 2000 een nader rapport uitgebracht waarin hij tot de conclusie is gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% is.
Bij besluit van 16 november 2000 heeft gedaagde appellante dan ook meegedeeld dat, in afwijking van het besluit van 5 september 2000, haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt en dat zij derhalve niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de WAO.
In bezwaar tegen het besluit van 16 november 2000 heeft appellante naar voren gebracht dat zij meer klachten heeft dan waarvan gedaagde is uitgegaan – naast de rugklachten heeft zij ook last van nek-, hand- en vingerklachten alsmede psychische klachten - en dat zij derhalve meer beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen. Voorts heeft zij bezwaar tegen het door gedaagde vastgestelde maatmanloon en dagloon. Daarnaast heeft appellante nog een verklaring d.d. 29 januari 2001 van haar behandelend psycholoog
drs. A.T.M. Kok overgelegd. Nadat de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen informatie had verkregen van B.J.M.C. de Bot, die als arts voor orthomanuele geneeskunde was verbonden aan het Medisch Centrum Kouvenrade te Hoensbroek en bij wie appellante onder behandeling was, heeft deze bezwaarverzekeringsarts op 19 februari 2001 rapport uitgebracht. In dit rapport heeft hij zich kunnen verenigen met de bevindingen van de verzekeringsarts Jagt. Ook de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten is in zijn rapport van 5 maart 2001 niet tot een andere conclusie gekomen dan de arbeidsdeskundige Schattorjé.
Bij besluit van 23 maart 2001 heeft gedaagde het bezwaar gegrond verklaard en heeft gedaagde bepaald dat appellante over de periode van 6 november 2000 tot 17 januari 2001 alsnog in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellante in haar WAO-aanvraag te kennen had gegeven dat zij haar werkzaamheden als interieurverzorgster al meerdere jaren combineerde met werkzaamheden als aspergesteekster en dat het haar niet kon worden tegengeworpen dat in eerste instantie bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid geen rekening was gehouden met de inkomsten uit de werkzaamheden van aspergesteekster. De beëindiging van de aan appellante bij besluit van 5 september 2000 toegekende uitkering, waartoe gedaagde bij besluit van 16 november 2000 had besloten, was naar de mening van gedaagde dan ook in strijd met het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel. Een correctie voor de toekomst achtte gedaagde echter wel geoorloofd en dit heeft gedaagde er toe gebracht de aan appellante met ingang van 6 november 2000 toegekende uitkering, met inachtneming van de geldende uitlooptermijn, met ingang van 17 januari 2001 weer in te trekken.
Ten aanzien van de bezwaren van appellante tegen het medisch aspect van het besluit van 16 november 2000 heeft gedaagde overwogen dat er geen aanleiding is om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken.
In beroep heeft appellante dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar, waarbij zij nog verklaringen heeft overgelegd van voornoemde De Bot, Kok en haar huisarts.
De rechtbank heeft de psychiater dr. P.B. van Denderen, verbonden aan het Maaslandziekenhuis te Sittard, als deskundige benoemd.
In zijn op 24 januari 2002 uitgebrachte rapport is deze psychiater tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van een depressie in engere zin en dat zij om deze reden meer beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen. Als gevolg van deze depressie achtte hij haar op en na 6 november 2000 niet in staat om de voormelde geduide functies uit te oefenen.
Van de zijde van gedaagde is op dit rapport gereageerd door middel van een tweetal reacties van respectievelijk verzekeringsarts Jagt en bezwaarverzekeringsarts Tjen, die beiden van mening waren dat Van Denderen in onvoldoende mate had aangetoond dat de depressie van appellante reeds aanwezig was op het hier in geding zijnde tijdstip.
Evenals deze verzekeringartsen was de rechtbank van oordeel dat uit het rapport van
Van Denderen niet bleek dat bij appellante op 17 januari 2001 reeds sprake was van een depressie. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat appellante op deze datum geschikt moest worden geacht om de geduide functies uit te oefenen en heeft het beroep derhalve ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante dezelfde grieven naar voren gebracht als eerder in de procedure. Voorts heeft zij naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten Van Denderen in de gelegenheid te stellen te reageren op de reacties die de voornoemde verzekeringsartsen hebben gegeven op zijn rapport.
De Raad overweegt als volgt.
In zijn voormelde rapport van 24 januari 2002 is de deskundige psychiater Van Denderen tot de conclusie gekomen dat appellante op 6 november 2000 gezien de beperkingen voortkomende vanuit de depressie in engere zin niet in staat was de hiervoor vermelde geduide functies uit te oefenen. De Raad kent aan dit rapport doorslaggevend betekenis toe en ziet in hetgeen gedaagde heeft aangevoerd geen reden de conclusie van de deskundige niet te volgen.
De Raad onderschrijft overigens het standpunt van gedaagde dat de nadere verklaring van 27 mei 2002 van Van Denderen in strijd met de goede procesorde tot stand is gekomen doordat de deskundige rechtstreeks daartoe van de zijde van appellante is benaderd. Gelijk de Raad reeds eerder heeft uitgesproken, brengt het belang van een goede procesorde mee dat, indien een deskundige eenmaal is ingeschakeld door de rechter, deze in het verdere verloop van de procedure uitsluitend door de rechter – eventueel op verzoek van de partijen – naar zijn (nader) oordeel kan worden gevraagd, zodat zijn positie als onafhankelijk deskundige volledig gehandhaafd blijft.
Het rechtstreeks benaderen van de deskundige kan daar afbreuk aan doen. De Raad ziet echter geen aanleiding om in dit geval aan deze gang van zaken consequenties te verbinden nu aan die nadere verklaring geen doorslaggevende betekenis toekomt en voornoemde deskundige bovendien op verzoek van de Raad zijn rapport van 24-01-2002 bij brief van 29-01-2004 nog nader heeft toegelicht.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644, - voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 11,94 aan reiskosten en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 977,94.
Beslist moet worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag € 977,94, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en Ch.J.G. Olde Kalter en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van
mr. J.W.P. Van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. Van der Hoeven.
Gw