Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2600

Datum uitspraak2003-09-24
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers130073
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het verschil van mening tussen partijen omvat het volgende: -de gelding van de tijdens de (mislukte) mediation gemaakte afspraken ten aanzien van de waardering van de ondernemingen; -de waarde van de ondernemingen; -de toescheiding van de ondernemingen; -de door [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten; -een aantal tot de gemeenschap behorende verzekeringspolissen. De rechtbank zal deze onderwerpen van geschil achtereenvolgens behandelen.


Uitspraak

VONNIS van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur: mr. L.A. Agterberg -tegen- [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, procureur: mr. C.J.W. Tijsseling. 1. Het verdere verloop van de procedure Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken: - het vonnis van 11 december 2002 waarin een comparitie van partijen is gelast en partijen is verzocht om voorafgaand daaraan diverse nader genoemde stukken met toelichting aan de rechtbank te zenden; - de brief van 6 januari 2003 van mr. L.P.F.M.C. Leeters, met 9 producties; - de brief van 7 januari 2003 van mr. Tijsseling met 2 producties; - het proces verbaal van de comparitie van partijen; - akte zijdens [gedaagde]. Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd. 2. De feiten Voor de feiten verwijst de rechtbank naar, en blijft de rechtbank bij, hetgeen zij daaromtrent in nr. 2.1 t/m 2.6 heeft vastgesteld. 3. De vorderingen 3.1. De rechtbank verwijst naar het geen zij daaromtrent heeft opgenomen in het vonnis van 11 december 2002. Ten aanzien van de reconventionele vordering van [gedaagde] dient vastgesteld te worden dat [gedaagde] die vordering bij dupliek in conventie heeft gewijzigd in die zin dat hij de toedeling vordert van Sportschool the Chariot in Eibergen, Masy groothandel in sportartikelen te Veenendaal en Masy sport- en ontspanningscentrum te Veenendaal tegen betaling door hem aan [eiseres] van € 272.268,00 wegens overbedeling. 4. De beoordeling 4.1. [eiseres] heeft zich tegen de eiswijziging in reconventie niet verzet zodat de rechtbank (mede) op die eis recht zal doen. 4.2. Het verschil van mening tussen partijen omvat het volgende: -de gelding van de tijdens de (mislukte) mediation gemaakte afspraken ten aanzien van de waardering van de ondernemingen; -de waarde van de ondernemingen; -de toescheiding van de ondernemingen; -de door [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten; -een aantal tot de gemeenschap behorende verzekeringspolissen. De rechtbank zal deze onderwerpen van geschil achtereenvolgens behandelen. 4.3. Zoals uit nr. 2.5 van het vonnis van 11 december 2002 blijkt, zijn partijen (op 19 november 2001) in het kader van de mediation overeengekomen dat W. Bennink de ondernemingen zal waarderen per 1 juli 2001. Het rapport van Bennink is als productie 2 door [eiseres] bij repliek in conventie in het geding gebracht. [eiseres] is de mening toegedaan dat deze afspraak, niettegenstaande het feit dat de mediation niet met succes is afgerond, partijen nog steeds bindt. [Gedaagde] stelt dat van gebondenheid aan die afspraak geen sprake kan zijn omdat de mediation zonder succes is beëindigd. 4.4 Vast staat dat partijen op 18 april 2002 een mediationovereenkomst hebben getekend. Dit is geruime tijd na aanvang van de mediation én nadat zij in dat kader de in 4.3. genoemde waarderingsafspraak hebben gemaakt. Van die mediationovereenkomst maakt art.8 deel uit waarvan lid 2 bepaalt: “Tijdens de loop van de mediation tussen partijen gemaakte afspraken binden hen alleen voor zover deze schriftelijk tussen hen zijn overeengekomen. Partijen kunnen in een dergelijke overeenkomst bepalen dat bedoelde afspraken hen niet langer binden indien en zodra de mediation wordt beëindigd zonder vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het voorgaande lid”. Voorts is aan de overeenkomst een handgeschreven art. 11 toegevoegd dat luidt: “Partijen verschillen van mening over de uitleg van artikel 8.2; partij [gedaagde] meent dat de afspraken gemaakt op 19 november ’01 t.a.v. onder meer peildatum, bindendheid, keuze deskundigen en uitkomst, niet bindend zijn op het moment dat de mediation – onverhoopt – niet slaagt; partij [eiseres] meent dat in dit laatste geval de gemaakte afspraken op 19 november 2001 betreffende peildatum, deskundigen en uitkomst van het bericht wel bindend zijn”. 4.5. De rechtbank stelt voorop dat mediation in het algemeen gericht is op het bereiken van een minnelijke schikking van het aan de vorderingen in rechte ten grondslag liggende conflict en het daarmee samenhangende juridische geschil. Het onderhavige geschil betreft de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Indien partijen tijdens het mediationproces afspraken maken (zoals genoemd in nr. 4.3) ter bevordering, of ten behoeve, van het bereiken van een minnelijke schikking, dan brengt de aard van de (rechts)verhouding waarin partijen in een mediationproces tegen over elkaar staan mee dat die afspraak hen, tenzij anders afgesproken, niet verder bindt indien en zodra het mediationproces niet tot een schikking heeft geleid. Tijdens het mediationproces zijn partijen immers jegens elkaar gehouden om zich met begrip voor elkaars standpunten in te zetten voor het bereiken van een schikking. Daarmee zou niet in overeenstemming zijn dat partijen ervan weerhouden (zouden) worden om afspraken ten behoeve van het bereiken van die schikking te maken omdat zij moeten vrezen dat die afspraak hen blijvend zal binden en tijdens de gerechtelijke procedure tegen hen kan worden gebruikt. Dit betekent dat zonder andersluidende afspraak, die partijen niet hebben gemaakt, de in nr. 4.3 gemaakte afspraak partijen niet meer bindt omdat het mediationproces zonder succes is beëindigd. 4.6. Toepassing van art. 8 lid 2 van de mediationovereenkomst zou tot hetzelfde resultaat leiden omdat op grond van dat artikel gebondenheid bij het uitblijven van een schikking slechts dan sprake kan zijn, indien de afspraak schriftelijk is vastgelegd hetgeen bij de onderhavige afspraak niet het geval is. 4.7. Ten aanzien van de ondernemingen verschillen partijen van mening over de waarde, het waarderingsmoment en de toescheiding. Partijen zijn het er over eens dat door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register van de burgerlijke stand, de vennootschappen onder firma zijn beëindigd. Dit uitgangspunt komt overeen met art. 10 van de oprichtingsakte van Sportschool the Chariot te Eibergen (hierna te noemen: de sportschool). Daarin is immers bepaald dat de vennootschap eindigt bij echtscheiding. Onder die vennootschap is tevens Masy Import/Export begrepen omdat die (zie art. 3 van de oprichtingsakte) bij de oprichting van de sportschool is ingebracht. Hoewel tussen partijen in confesso is dat Masy Installatie, verwarming en elektra een op zich zelf staande vennootschap onder firma is, heeft geen der partijen daarvan een oprichtingsakte in het geding gebracht. Nu partijen het erover eens zijn dat ook die vennootschap door de echtscheiding beëindigd is, neemt de rechtbank aan dat daarvoor dezelfde regeling geldt als voor de sportschool. 4.8. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat indien echtelieden, in gemeenschap van goederen gehuwd, een personenvennootschap, zoals een v.o.f. oprichting, daardoor binnen de huwelijksgemeenschap een vennootschapsgemeenschap ontstaat die door eigen regels wordt beheerst. Welke die regels zijn, wordt in de eerste plaats bepaald door de oprichtingsakte. In art. 11 van de oprichtingsakte is een verblijvensbeding opgenomen waarin is bepaald dat het bedrag dat de overblijvende vennoot aan de ander dient te voldoen bepaald dient te worden op basis van een waardering aan de hand van de balans en de verlies- en winstrekening “op te maken naar de dag waarop de vennootschap is geëindigd”. Omdat bij de gevallen van beëindiging van de vennootschap waarin art. 11 geldt, echtscheiding niet wordt genoemd, is het daarin opgenomen waarderingsmoment niet rechtstreeks van toepassing in de onderhavige situatie. Over de waardering van de vennootschap bij echtscheiding vermeldt de oprichtingsakte niets. 4.9. Aangezien de ondernemingen ook tot het huwelijksvermogen behoren dient, nu partijen in het kader van hun vennootschap geen andersluidende afspraken hebben gemaakt, voor de verdeling van het ondernemingsvermogen aansluiting gezocht te worden bij de algemene regels van bijzondere gemeenschappen zoals opgenomen in titel 7 afd. 2 van Boek 3 BW. Dit betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de ondernemingen worden geschat naar hun waarde op het moment van verdeling (zie art. 3:196 lid 3 BW). Deze hoofdregel lijdt echter uitzondering indien de redelijkheid en billijkheid een andere datum meebrengen. Of dat het geval is dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. 4.10. Vast staat, want onweersproken is, dat [gedaagde] op 10 oktober 1999 uit Eibergen is vertrokken en zich sedertdien niet meer noemenswaardig met de bedrijfsvoering van de sportschool heeft bemoeid. Uit het relaas van [gedaagde] bij de conclusie van antwoord in conventie blijkt dat wat hem betreft deze situatie niet zelfverkozen was maar dat [eiseres] verdere bemoeienis van hem met de sportschool onmogelijk maakte. Tevens staat vast dat [eiseres] zich na het feitelijk uiteengaan van partijen niet (meer) heeft bemoeid met de bedrijfsvoering van het sportcentrum te Veenendaal, en de beide Masy-ondernemingen. Deze situatie is voorts bestendigd door de afspraak die partijen op 21 juni 2001 ten overstaan van de voorzieningenrechter te Zutphen hebben gemaakt, inhoudende (onder meer) dat [gedaagde] zich niet meer met de verdere bedrijfsvoering van de sportschool te Eibergen zal bemoeien. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het, mede in aanmerking nemende de aard van de ondernemingen, redelijk en billijk om voor wat betreft de waardering uit te gaan van 1 juli 2002 als waarderingsmoment. Immers vanaf die datum is met goedvinden van partijen feitelijk tot op zekere hoogte sprake van een voortzetting van de ondernemingen door partijen afzonderlijk als ware er sprake van eenmanszaken. Juist omdat vanaf die datum geen sprake meer is van een gezamenlijke bedrijfsvoering is het redelijk om de waarde-ontwikkeling nadien in beginsel voor rekening te laten van degene onder wiens verantwoordelijkheid de bedrijfsvoering is geschied. 4.11. Door [eiseres] is het deskundigenrapport van W. Bennink van 9 juli 2001 in het geding gebracht. De juistheid daarvan is door [gedaagde] betwist op basis van een rapportage van DRV Corporate Finance B.V. van 22 mei 2002. Op basis van de inhoud van beide rapporten kan de rechtbank (nog) geen oordeel vellen over de juiste waardering van de ondernemingen per 1 juli 2001. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel behoefte heeft aan deskundig advies over de waardering van de ondernemingen per 1 juli 2001. Tijdens de comparitie is daarover reeds door partijen gesproken. Beide partijen hebben zich toen akkoord verklaard met de benoeming van een deskundige van het kantoor Kooij Accountants te Utrecht ter vaststelling van de waarde van de ondernemingen. Tot die benoeming zal de rechtbank dan ook overgaan. 4.12. Partijen hebben ter comparitie een afspraak gemaakt over het gebruik door de, door de rechtbank te benoemen, deskundige van het rapport van W. Bennink en de schriftelijke reactie daarop van M.A. de Jong (DRV Corporate Finance B.V.). Door partijen is afgesproken dat zowel het rapport van W. Bennink als de reactie daarop van M.A. de Jong niet ter kennis van de door de rechtbank te benoemen deskundige worden gebracht. Deze afspraak betekent dat mr. Leeters, die in nr. 5.12 van dit vonnis zal worden verzocht om de processtukken aan de deskundige toe te zenden, er op dient toe te zien dat verzending van respectievelijk de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie geschiedt zonder productie 2, en van de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie zonder de producties 1 en 2. 4.13. Zolang de waarde van de ondernemingen niet vaststaat, houdt de rechtbank de beslissing omtrent de toescheiding van de ondernemingen aan. Dit vloeit voort uit het feit dat onder meer tussen partijen in geschil is of [eiseres] de eventuele toescheiding van de sportschool te Eibergen kan financieren. [eiseres] stelt daartoe in staat te zijn. [gedaagde] heeft dit betwist. Bij de beoordeling van de toescheiding van de ondernemingen aan partijen zal de rechtbank tevens acht slaan op de financiële mogelijkheden van partijen. De rechtbank verzoekt partijen reeds thans om bij gelegenheid van het nemen van de conclusie na deskundigenbericht, door middel van het in het geding brengen van een geldige, althans recente, offerte van een te goeder naam en faam bestaande bank aan te tonen dat de door ieder van hen voorgestane verdeling ook financieel haalbaar is. 4.14. Tussen partijen is niet in geschil dat het door [gedaagde] “bij defensie” opgebouwde ouderdomspensioen volgens de geldende wettelijke regeling afgewikkeld dient te worden. Of [gedaagde] dat ouderdomspensioen ook tijdens het huwelijk met [eiseres] heeft opgebouwd, is de rechtbank niet duidelijk geworden. Informatie daarover ontbreekt in het griffiedossier. De rechtbank wijst partijen er op dat op dat (mogelijk tijdens het huwelijk opgebouwde) ouderdomspensioen de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding, hierna verder aan te duiden als Wet VPS, van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat het tijdens huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen niet tot de huwelijksgemeenschap behoort, en [eiseres] ten aanzien daarvan een zelfstandig vereveningsrecht heeft jegens het pensioenuitvoeringsorgaan. Of zij dat recht nog te gelde kan maken, hangt onder meer af van de vraag of de pensioenuitvoerder bereid is een verzoek om verevening in te willigen hoewel de in art. 2 lid 2 Wet VSP genoemde termijn van twee jaar reeds verstreken is. De rechtbank verzoekt partijen om zich bij gelegenheid van de conclusie na deskundigenbericht uit te laten over de vraag of door [gedaagde] tijdens het huwelijk een ouderdomspensioen is opgebouwd en zo ja, wat partijen over de verevening daarvan hebben afgesproken en welke gevolgen dat heeft voor de onderhavige vorderingen. 4.15. Ten aanzien van de levensverzekeringspolissen kan de rechtbank nog steeds geen oordeel vellen. Door mr. Leeters is namens [eiseres] bij brief van 6 januari 2003 als productie 8 een kopiepolisblad van 17 juli 2001 van Winterthur met polisnummer 3.130.209-0 in het geding gebracht. Voorts is door [gedaagde] bij akte van 19 maart 2003 een brief van 26 februari 2003 van Zurich Leven in het geding gebracht met daarin diverse afkoopwaarden van polisnummer 04-144922. Tijdens de comparitie van partijen is door partijen nog gesproken over een polis bij Levob, doch informatie daaromtrent ontbreekt. 4.16. Uit de Winterthurpolis blijkt dat dat een overlijdensrisicoverzekering betreft. De rechtbank neemt aan dat op die polis de door [eiseres] tijdens de comparitie gemaakte opmerking betrekking heeft dat er een overlijdensrisicoverzekering is die geen waarde heeft. [gedaagde] heeft dit sedertdien niet weersproken zodat voor de rechtbank vaststaat dat aan die polis in het kader van de verdeling geen waarde wordt gehecht hetgeen ook in overeenstemming is met het feit dat een dergelijke risicoverzekering gewoonlijk geen afkoopwaarde heeft. Voor de verdeling van de polis bij Zürich Leven gaat de rechtbank uit van het moment van verdeling als waarderingsmoment. Er is immers geruime tijd verstreken tussen het moment van verdeling en het moment van echtscheiding. Voor zover echter er sprake is van een periodieke premieplicht, en een der partijen na 3 januari 2001 die premies uit eigen middelen heeft voldaan, heeft die partij recht op een nominale vergoeding van de helft van die premies. Dit betekent dat de rechtbank behoefte heeft aan nadere informatie, te weten: -betreft het een éénmalige of periodieke premie; -indien er sprake is van een periodieke premie, wat is het periodiek bedrag? en ten laste van wiens inkomen is welk bedrag aan totale premies vanaf 3 januari 2001 voldaan? [gedaagde] wordt verzocht om bij gelegenheid van het nemen van de conclusie na deskundigenbericht hieromtrent informatie te geven en de juistheid daarvan met stukken te onderbouwen. Nu de rechtbank geen informatie heeft bereikt over een polis bij Levob, gaat de rechtbank er vooralsnog vanuit dat die er niet is. 4.17. Het bovenstaande leidt ertoe dat een deskundige zal worden benoemd en iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 5. De beslissing De rechtbank: het deskundigenonderzoek 5.1. Beveelt een deskundigenonderzoek ter beantwoording van de vraag wat per 1 juli 2001 de waarden in het economisch verkeer zijn van: - Sportschool the Chariot te Eibergen; - Import-Export Masy, de groothandel in sportartikelen te Veenendaal; - Masy sport- en ontspanningscentrum, het sportcentrum te Veenendaal; - Masy Installatie, verwarming en elektra te Eibergen. Benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen: .. van het kantoor Kooij Accountants te Utrecht, adres: .. 5.2. Bepaalt dat het onderzoek zal worden verricht onder leiding van mr. H.M.M. Steenberghe, die ten deze tot rechter-commissaris wordt benoemd; de kosten 5.3. Bepaalt dat met het oog op de vaststelling van het voorschot terzake van de kosten van de deskundige het volgende: - de deskundige dient binnen drie weken na de datum van dit vonnis een begroting van zijn kosten op te geven aan mr. H.M.M. Steenberghe gespecificeerd naar het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten; - de civiele griffie zal bedoelde opgave toezenden aan partijen; - partijen kunnen binnen twee weken daarna bij brief schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting; - indien niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt het voorschot terzake van de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige te begroten bedrag; - indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing; 5.4. Bepaalt dat beide partijen de helft van het bedrag van het voorschot ter griffie moet deponeren binnen twee weken nadat zij een daartoe strekkend betalingsverzoek van de civiele griffie hebben ontvangen; 5.5. Bepaalt dat ieder van partijen de helft van het bedrag van het voorschot ter griffie moet deponeren binnen twee weken nadat zij een daartoe strekkend betalingsverzoek van de civiele griffie hebben ontvangen; de werkwijze van de deskundige 5.6. Draagt de deskundige op een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van deze rechtbank; Bij dit rapport dient een gespecificeerde einddeclaratie te zijn toegevoegd; 5.7. Bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie moet worden ingeleverd op drie maanden na de datum van dit vonnis, met dien verstande dat de deskundige niet met het onderzoek behoeft te beginnen voordat deze van de griffie van de rechtbank bericht heeft ontvangen dat het voorschot is gedeponeerd; 5.8. Schrijft de deskundige voor dat hij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken; 5.9. Bepaalt dat de deskundige een concept van het rapport aan partijen zal toezenden en hen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen over het concept te maken, bepaalt dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoekt de deskundige om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen over het concept. 5.10. Verzoekt de deskundige in acht te nemen hetgeen is overwogen in nummer 4.10. van dit vonnis; de overige beslissingen 5.11. Draagt de griffier op een afschrift van dit vonnis toe te zenden aan de deskundige; 5.12. Bepaalt dat de overige processtukken met inachtneming van hetgeen is overwogen in nr. 4.12 binnen één week na de datum van dit vonnis aan de deskundige dienen te worden toegezonden door mr. L.P.F.M.C. Leeters; 5.13. Draagt de griffier op om na inlevering van het schriftelijk bericht door de deskundige de zaak op een termijn van 4 weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht alsmede uitlaten over hetgeen de rechtbank in nrs. 4.14 en 4.16 heeft overwogen, aan de zijde van [eiseres] en om partijen daarvan bericht te doen; 5.14. Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 24 september 2003. w.g. griffier w.g. rechter