
Jurisprudentie
AQ2565
Datum uitspraak2003-12-05
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers106569 / KG ZA 03-773
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers106569 / KG ZA 03-773
Statusgepubliceerd
Indicatie
Eiseres – hierna te noemen de vrouw – heeft gedaagde – hierna te noemen de man – ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.
De man heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De man heeft tevens een eis in reconventie ingesteld, zoals neergelegd in de conclusie van eis in reconventie. De vrouw heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De procureur van de vrouw en de procureur van de man hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.
Uitspraak
Rechtbank Arnhem
Sector civiel recht
Zaak-rolnummer: 106569 / KG ZA 03-773
Datum vonnis: 5 december 2003
Vonnis
in kort geding
in de zaak van
[eiseres]
wonende te [woonplaats],
eiseres,
procureur mr. A.F. van Dam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
procureur mr. E.M. Stoffels
Het verloop van de procedure
Eiseres – hierna te noemen de vrouw – heeft gedaagde – hierna te noemen de man – ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.
De man heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De man heeft tevens een eis in reconventie ingesteld, zoals neergelegd in de conclusie van eis in reconventie. De vrouw heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De procureur van de vrouw en de procureur van de man hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.
Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.
Ten slotte is vonnis bepaald.
De vaststaande feiten
Op grond van de stelling van partijen en de inhoud van de producties – alles voor zover niet dan wel onvoldoende weersproken – staat voorshands het volgende vast:
1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad van april 1983 tot mei 2003, uit welke relatie zijn geboren:
- [het kind 1], op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],
- [het kind 2], op 3 september 1992 te [geboorteplaats],
- [het kind 3], op 27 juni 1995 te [geboorteplaats].
De partijen hebben gezamenlijk het gezag over deze minderjarigen.
2. Op 24 juli 2003 hebben de partijen voor de voorzieningrechter te Arnhem een kort gevoerd waarbij de vrouw heeft gevorderd de gezamenlijk bewoonde woning samen met de kinderen en met uitsluiting van de man te mogen bewonen. Bij gelegenheid van de behandeling van het kort geding hebben partijen er mee ingestemd te trachten hun geschil en overige geschillen samenhangend met de beëindiging van de samenleving door middel van mediation op te lossen.
3. De kinderen zijn bij de vrouw gebleven totdat [het kind 1] na de zomervakantie bij de man is gebleven en de twee jongste kinderen op 16 november 2003, na de omgang, eveneens bij de man zijn gebleven.
4. De man heeft inmiddels bij de rechtbank te Arnhem een verzoekschrift tot vaststelling van de verblijfplaats van minderjarige kinderen ingediend, hetgeen is geregistreerd onder nummer 101955 / OR RK 03-113 en waarvan de behandeling is gepland op 5 februari 2004.
De vorderingen
1. De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut de man te veroordelen:
a. om de kinderen van partijen, [het kind 2] en [het kind 3], aan de vrouw af te geven op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat de man na betekening met die afgifte in gebreke mocht blijven, en
b. met machtiging om het gevraagde bevel zonodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
2. De vrouw stelt zich daarbij op het standpunt dat de partijen in het kader van de mediation overeenstemming hebben bereikt over de verblijfplaats van de kinderen en de omgangsregeling, waarbij de kinderen hun gewone verblijfplaats bij de vrouw hebben en een omgangsregeling met de man van een weekend per twee weken. De vrouw heeft deze overeenkomst ondertekend. De vrouw voert tevens aan dat de man de kinderen laat kiezen tussen beide ouders en zelf niet de verantwoordelijkheid neemt voor beslissingen die kinderen betreffende. Zij is van mening dat de man de kinderen negatief heeft beïnvloed in hun opvattingen over haar. De vrouw bestrijdt dat zij tekort schiet in de verzorging van de kinderen. Zij stelt daarentegen dat zij tijdens de samenleving het grootste deel van de zorg voor de kinderen had. De vrouw legt zich, gelet op zijn leeftijd, neer bij het verblijf van het oudste kind, [het kind 1], bij de man.
3. De man betwist dat de partijen in mediation tot overeenstemming zijn gekomen met betrekking tot de verblijfplaats van de kinderen en de omgangsregeling. Hij stelt gedurende de mediation voortdurend te hebben aangegeven dat hij wilde dat de verblijfplaats van de kinderen bij hem zou zijn. Hij voert aan zich gedurende de mediation onder druk gezet gevoeld te hebben om een bepaalde oplossing te bereiken. De man ontkent dat hij de kinderen zodanig heeft beïnvloed dat ze voor hem hebben gekozen. Zij hebben zelf die keuze gemaakt omdat ze zich bij hun moeder, met name door haar woonsituatie, niet op hun gemak voelen. Hij kan de kinderen ook meer bieden dan de vrouw. De man pleit voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Hij heeft daarnaast in reconventie gevorderd dat wordt bepaald dat de kinderen hun verblijfplaats hebben bij hem, totdat definitief over hun verblijfplaats zal worden beslist.
De beoordeling van de vordering
1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van de vrouw.
2. Vaststaat dat de man na het verbreken van de samenleving de gezamenlijk bewoonde woning heeft verlaten, waarbij de kinderen bij de vrouw zijn gebleven. Omdat deze woning verkocht ging worden is de vrouw met de kinderen verhuisd naar een flatwoning in [woonplaats]. De man woont thans in [woonplaats]. De kinderen zijn in september 2003 naar hun oude school gegaan. Vervolgens is eerst [het kind 1] bij de man gebleven en daarna op 16 november 2003, na een omgangsregeling, de jongste kinderen. De man heeft de kinderen vervolgens bij zich gehouden en hen aangemeld bij een school in zijn huidige woonplaats.
3. Indien ouders gezamenlijk gezag hebben over de kinderen dienen zij bij een belangrijke beslissing als de gewone verblijfplaats van de kinderen met elkaar in overleg te treden teneinde een gezamenlijke beslissing te nemen. Nu de man na een omgangsregeling de kinderen bij zich heeft gehouden, heeft hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter een vorm van eigenrichting gepleegd. Dit is niet in het belang van de kinderen. Het is niet goed als de verantwoordelijkheid voor een dergelijke beslissing bij kinderen van een nog jonge leeftijd wordt gelegd, zoals de man nu kennelijk doet.
4. Het is ernstig te betreuren dat mediation over deze aangelegenheid niet tot een oplossing heeft geleid. Integendeel, de voorzieningenrechter heeft de indruk dat deze procedure alleen maar tot verharding van standpunten heeft geleid. Er is kennelijk geen bereidheid elkaar over en weer te vertrouwen en te respecteren, hetgeen weinig hoop geeft voor de toekomst. De voorzieningenrechter zal, voor zover partijen een beroep hebben gedaan op hetgeen in mediation is besproken, daarop niet ingaan gezien het andersoortige karakter van de mediationprocedure.
5. Nu de partijen in onderling overleg kennelijk geen overeenstemming kunnen bereiken over de verblijfplaats van hun kinderen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Raad voor de Kinderbescherming zal moeten onderzoeken waar de kinderen in de toekomst hun gewone verblijfplaats zullen hebben indien de partijen daarover in onderling overleg geen overeenstemming kunnen bereiken. In het kader van de verzoekschriftprocedure tot vaststelling van de verblijfplaats van de kinderen, die door de man is gestart, zal de Raad voor de Kinderbescherming een dergelijk onderzoek ook doen, als de rechtbank daarom verzoekt.
De voorzieningenrechter zal, nu partijen hebben aangegeven bereid te zijn hun medewerking daaraan te verlenen, de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken een verkorte procedure op te starten zodat binnen afzienbare tijd met het onderzoek kan worden gestart. Tot die tijd is echter een regeling nodig die de kinderen rust en duidelijkheid geeft.
6. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is duidelijk geworden dat de communicatie tussen partijen slecht is waardoor de kinderen zijn opgezadeld met de verantwoordelijkheid om te “kiezen” tussen verblijf bij hun vader of bij hun moeder. Een dergelijke keuze brengt de kinderen in een onmogelijke situatie omdat keuze voor de één automatisch betekent verwerping van de ander.
7. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen trekt de voorzieningenrechter voorshands de conclusie dat geen van beide ouders op voorhand niet in staat moet worden geacht de kinderen datgene te bieden wat ze nodig hebben. Dat de één of de ander iets “beter” zou kunnen is in het huidige stadium een subjectieve beoordeling van één der partijen waar de voorzieningenrechter bij gebrek aan objectieve onderbouwing niet op in kan en mag gaan.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in het belang is van de kinderen dat zij teruggaan naar de vrouw waar zij zullen blijven totdat een definitieve beslissing zal volgen in het kader van de thans aanhangige procedure bij de rechtbank. De kinderen zullen door een omgangsregeling contact houden met de man.
8. Gelet op het bovenstaande en gelet op het belang van de kinderen, die niet gebaat zijn bij veelvuldige verhuizingen, zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw toewijzen en bepalen dat de kinderen [het kind 2] en [het kind 3] met ingang van de kerstvakantie (22 december 2003) terug dienen te gaan naar de vrouw.
9. Gelet op de weerstand van de man zal de door de vrouw gevorderde dwangsom worden toegewezen voor een bedrag van € 250,-- met een maximum van € 2.500,-- voor iedere dag, na betekening van het vonnis, dat de man in gebreke blijft de kinderen bij de vrouw terug te brengen. De bepaling dat het vonnis indien nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer kan worden gelegd, zal eveneens worden opgenomen, waarbij de voorzieningenrechter er overigens van uitgaat dat partijen in het belang van de kinderen zullen handelen en het zover niet zullen laten komen.
10. De reconventionele vordering van de man zal worden geweigerd.
11. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan zullen de kosten van dit kort geding worden gecompenseerd.
De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
1. veroordeelt de man om, na betekening van dit vonnis, de kinderen [het kind 2] en [het kind 3] op 22 december 2003 aan de vrouw af te geven met bepaling dat de vrouw het vonnis zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer mag laten leggen,
2. veroordeelt de man om, ingeval hij na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven de kinderen bij de vrouw terug te brengen, aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,-- per dag, echter met een maximum van € 2500,--,
3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4. weigert het anders of meer gevorderde.
in reconventie
5. weigert de gevorderde voorziening,
in conventie en reconventie
6. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J.T. Blom en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier drs. M. Van der Wel op 5 december 2003.
de griffier de rechter