Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2551

Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1973 WAO en 02/5036 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schatting WAO en weigering ziekengeld.


Uitspraak

02/1973 WAO en 02/5036 ZW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij afzonderlijke beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen twee tussen partijen gegeven uitspraken van de rechtbank Amsterdam van respectievelijk 27 februari 2002 (reg. nr. AWB 01/1826 WAO) en 4 september 2002 (reg. nr. AWB 02/347 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde zijn in deze gedingen afzonderlijke verweerschriften ingediend. De gedingen zijn behandeld ter zitting van 28 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.A.L. Nieuwenhuis, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten. Dossier 02/1973 WAO Appellant, geboren [in] 1956, is laatstelijk werkzaam geweest als chauffeur via een uitzendbureau en als oproepkracht bij het ijsvrij maken van vliegtuigen. Nadat hij werkloos was geworden, is hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vervolgens heeft hij zich op 7 december 1999 ziek gemeld. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft de verzekeringsarts L.L.J. Looy, nadat hij appellant had onderzocht en informatie had verkregen uit de behandelende sector de belastbaarheid van appellant neergelegd in een formulier Functie Informatie Systeem VA/AD (FIS-patroon). Aan de hand hiervan is de arbeidsdeskundige J.N. van Breukelen in zijn rapport van 29 november 2000 tot de conclusie gekomen dat appellant nog geschikt is voor de functies van samensteller van metaalproducten, printplatenmonteur en samensteller van elektrische producten. Aangezien wegens het ontbreken van gegevens het onderzoek naar het recht op een WAO-uitkering niet tijdig kon worden afgerond, heeft gedaagde appellant bij besluit van 29 november 2000 meegedeeld dat hem vanaf 5 december 2000 een voorschot wordt verstrekt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Nadat de vereiste gegevens alsnog waren verkregen, is de voornoemde arbeidsdeskundige in zijn rapport van 5 januari 2001 tot de conclusie gekomen dat er bij appellant op basis van voormelde functies sprake is van een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Bij besluit van 19 januari 2001 heeft gedaagde in overeenstemming met dit rapport appellant met ingang van 5 december 2000 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Tegen zowel het besluit van 29 november 2000 als tegen het besluit van 19 januari 2001 heeft appellant bezwaar gemaakt. Naar zijn mening heeft hij vanwege zijn rug-, schouder- en nekklachten, concentratieproblemen, alsmede vanwege de omstandigheid dat zijn handen allergisch zijn voor vet en olie, meer beperkingen dan gedaagde heeft aangenomen en is hij niet in staat de geduide functies uit te oefenen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij verklaringen van zijn behandelend neuroloog en zijn huisarts overgelegd. Op 21 februari 2001 heeft de bezwaarverzekeringsarts M. Hagedoorn rapport uitgebracht, waarin het door de primaire verzekeringsarts vastgestelde FIS-patroon op enkele punten is gewijzigd. Zij heeft meer beperkingen aangenomen ten aanzien van het aspect staan en heeft ook een beperking aanwezig geacht ten aanzien van de vibratiebelasting van de rug. Bovendien was zij van mening dat rekening moest worden gehouden met de omstandigheid dat appellant allergisch is voor olie en vet. Naar haar mening was appellant daarentegen minder beperkt dan de primaire verzekeringsarts had aangenomen ten aanzien van de aspecten kortcyclisch buigen en torderen, tillen en dragen. In zijn rapport van 15 maart 2001 is de bezwaararbeidsdeskundige D. Klazema tot de conclusie gekomen dat dit door de bezwaarverzekeringsarts enigszins gewijzigde FIS-patroon geen consequenties heeft voor de geschiktheid van appellant voor de voormelde functies van samensteller metaalproducten, printplatenmonteur en samensteller elektrische producten. Daarnaast heeft hij appellant tevens nog geschikt geacht voor de functies van confectiestikker en wikkelaar. Bij besluit van 12 april 2001 heeft gedaagde in overeenstemming met de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Het door appellant ingestelde beroep, waarbij hij dezelfde grieven naar voren heeft gebracht als in bezwaar, is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat zowel de medische component als de arbeidskundige component van het bestreden besluit op goede gronden berustte. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder in de procedure geuite grieven herhaald. Daarnaast heeft hij nog naar voren gebracht dat hij ook nog last heeft van kleurenblindheid. De Raad overweegt als volgt. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Daarbij heeft de Raad in overweging genomen dat de bezwaarverzekeringsarts bij de totstandkoming van haar rapport de beschikking had over informatie uit de behandelende sector. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat uit zijn klachten, waaronder de in hoger beroep nog naar voren gebrachte kleurenblindheid, meer beperkingen voortvloeien dan gedaagde heeft aangenomen, overweegt de Raad dat appellant dit op geen enkele wijze aan de hand van medische informatie aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van de geschiktheid van appellant voor de in geding zijnde functies overweegt de Raad dat van de zijde van gedaagde in voldoende mate de geschiktheid van appellant voor deze functies is aangetoond. Daar waar sprake is van een ogenschijnlijke overschrijding in de verwoording belastbaarheid van de geduide functies is naar het oordeel van de Raad van de zijde van gedaagde in voldoende mate aangetoond dat de belasting in overeenstemming is met het voor appellant vastgestelde belastbaarheidspatroon. Nu voorts de arbeidskundige component van het besluit van 19 januari 2001 eveneens op goede gronden berust, is de Raad van oordeel dat de in rubriek I vermelde uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2002 voor bevestiging in aanmerking komt. Dossier 02/5036 ZW Zoals uit het vorenstaande blijkt is appellant met ingang van 5 december 2000 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Daarnaast genoot hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze positie heeft hij zich per 17 juli 2001 ziek gemeld en is hem vanaf die datum een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Na een rapport van de verzekeringarts S.A.M. Seuren, die appellant op 4 oktober 2001 op zijn spreekuur heeft gezien, heeft gedaagde bij besluit van eveneens 4 oktober 2001 aan appellant meegedeeld dat hij op en na 5 oktober 2001 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij met ingang van deze datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar, waarbij hij naar voren heeft gebracht dat hij vanwege zijn rug- en nekklachten niet in staat is om te werken, heeft geleid tot het besluit van 17 december 2001. Daarbij heeft gedaagde in overeenstemming met het rapport d.d. 12 december 2001 van de bezwaarverzekeringsarts I.L. Hoornstra, die informatie van de huisarts had opgevraagd, dit bezwaar ongegrond verklaard. Het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht als eerder in de procedure. De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 19 van de Ziektewet heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld. Bij herhaling heeft de Raad vastgesteld dat onder arbeid in voormelde zin dient te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering, dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting voor de WAO. Zoals uit het vorenstaande blijkt, is appellant in dat kader geschikt geacht voor de functies van samensteller metaalproducten, printplatenmonteur, samensteller elektrische producten, confectiestikker en wikkelaar. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of gedaagde terecht heeft geoordeeld dat appellant op en na 5 oktober 2001 geschikt moet worden geacht voor één van deze functies. Zowel de verzekeringsarts Seuren als de bezwaarverzekeringsarts Hoornstra zijn na hun onderzoeken tot de conclusie gekomen dat het op 21 februari 2001 door de bezwaarverzekeringsarts Hagedoorn voor appellant vastgestelde belastbaarheidspatroon nog steeds onveranderd van toepassing is. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant zijn standpunt dat sinds die tijd sprake is van een toename van zijn beperkingen niet aannemelijk gemaakt aan de hand van medische informatie. Weliswaar blijkt uit de in bezwaar opgevraagde informatie van de huisarts dat bij appellant, naast de reeds in het kader van de WAO-beoordeling door hem naar voren gebrachte klachten, ook sprake is van spanningsklachten, maar het ten aanzien van deze klachten door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt dat er als gevolg van deze klachten geen sprake is van een arbeidsbelemmerend psychiatrisch beeld, kan de Raad niet voor onjuist houden. Dit betekent dat de Raad vorenstaande vraag bevestigend beantwoordt en wel in die zin dat appellant op en na 5 oktober 2001 geschikt moest worden geacht voor de hiervoor vermelde functies. Op grond van vorenstaande is de Raad van oordeel dat de in rubriek I vermelde uitspraak van de rechtbank van 4 september 2002 eveneens voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist moet worden als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraken. Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J.W.P. van der Hoeven. Gw