
Jurisprudentie
AQ2547
Datum uitspraak2003-11-18
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers104271 / FA RK 03-12043
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers104271 / FA RK 03-12043
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 september 2002 is aan de man in het kader van voorlopige voorzieningen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter van partijen opgelegd van € 350,-- per maand alsmede een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 510,-- per maand. Ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2003 zijn voormelde bedragen verhoogd tot respectievelijk € 363,65 en € 529,89 per maand.
Uitspraak
Rechtbank Arnhem
Sector familierecht
AdV
Zaak/rekestnummer: 104271 / FA RK 03-12043
Datum uitspraak: 18 november 2003
Beschikking voorlopige voorzieningen
In de zaak van
[de man]
wonende te [woonplaats],
procureur mr. W.J.G.M. van den Broek te Nijmegen,
advocaat mr. A.E. Klaassen te Nijmegen;
tegen
[de vrouw]
wonende te [woonplaats]
procureur P.J.M. Hermsen te Bemmel,
advocaat mr. J.A.J. Dappers te Ravenstein;
gezien de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, ingekomen op 15 september 2003;
- de namens de vrouw ter zitting overgelegde pleitnotitie;
gehoord ter terechtzitting met gesloten deuren van 24 oktober 2003:
de man, bijgestaan door zijn advocaat voornoemd;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat voornoemd.
Overwegende
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 september 2002 is aan de man in het kader van voorlopige voorzieningen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter van partijen opgelegd van € 350,-- per maand alsmede een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 510,-- per maand. Ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2003 zijn voormelde bedragen verhoogd tot respectievelijk € 363,65 en € 529,89 per maand.
De man stelt dat hij – gegeven de ontwikkeling van zijn onderneming – niet langer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen.
Hij verzoekt de rechtbank voormelde beschikking te wijzigen en de daarbij vastgestelde kinder- en partneralimentatie met ingang van de datum van de indiening van zijn verzoekschrift althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum op nihil te stellen.
Partijen hebben na de mondelinge behandeling op 15 mei 2003 van hun echtscheidingsprocedure, op 10 juni 2003 een mediationovereenkomst gesloten en bevinden zich in de mediation-procedure.
De vrouw beroept zich op de niet ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek om wijziging van de voorlopige voorzieningen gelet op hetgeen partijen in de mediation-overeenkomst zijn overeengekomen. Hierin staat vermeld dat de beëindiging van de mediation uitsluitend geschiedt door het aankondigen daarvan tijdens een gezamenlijke (slot-)bijeenkomst met de mediator. Tevens verwijst de vrouw hierbij naar artikel 8 van het NMI Mediationreglement 2001 waarin staat dat partijen zich verplichten gedurende de loop van de mediation-procedure jegens elkaar geen gerechtelijke of andere procedures over het geschil of onderdelen daarvan aanhangig te maken – met uitzondering van maatregelen ter bewaring van rechten – behoudens indien partijen anders zijn overeengekomen.
De man heeft aangegeven dat hij de mediation wil voortzetten rond de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, maar dat hij ten aanzien van de door hem te betalen kinder- en partneralimentatie een nieuwe uitspraak van de rechter verlangt nu hij financieel niet langer in staat is deze alimentatie op te brengen. Omdat de mediation rond de verdeling nog enige tijd in beslag zal nemen kan hij op de uitkomst daarvan niet langer wachten gelet op zijn nijpende financiele situatie.
De vrouw heeft tijdens de zitting erkend dat partijen tijdens de mediation niet tot overeenstemming zullen komen over de alimentatie en heeft er geen bezwaren tegen om dit punt tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling van de echtscheidingsprocedure, welke op 15 mei 2003 is aangehouden, te bespreken. Daarnaast is ook zij van mening dat de mediation moet doorlopen voor wat betreft de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
De rechtbank stelt vast dat artikel 8 van het NMI Mediationreglement is opgesteld met het oog op het rustig laten verlopen van de mediationprocedure zonder dat partijen elkaar intussen in onnodige juridische procedures betrekken. Maar naar het oordeel van de rechtbank is artikel 6:248 lid 2 BW aan de orde: een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ook tijdens de mediationprocedure kunnen zich deze omstandigheden voordoen en partijen kunnen zich naar het oordeel van de rechtbank vervolgens tot de voorlopige voorzieningen rechter wenden om dit te laten toetsen.
Gelet op de omstandigheden waarop de man zich in casu beroept – kortheidshalve wordt verwezen naar het onderstaande – is de rechtbank van oordeel dat het onaanvaardbaar is dat artikel 8 van vorengenoemd reglement hier van toepassing zou zijn en dat daarom de man ontvankelijk is in zijn verzoek om wijziging van de voorlopige voorzieningen van 20 september 2002.
Bij voormelde beschikking is de rechtbank uitgegaan van de gemiddelde winst van de slagerij van de man over de jaren 1998, 1999 en 2000 nu over deze jaren de definitieve cijfers beschikbaar waren. Daarbij heeft de rechtbank in het jaar 2000 rekening gehouden met de bijzondere bate van f. 172.750,-- en heeft aldus bezien rekening gehouden met een gemiddelde winst over voormelde jaren van € 37.693,--. Deze bijzondere bate is ontstaan door de verkoop van het filiaal van het bedrijf van de man in 1997.
De man stelt dat er al vanaf 1998 sprake is van een neerwaartse trend in de opbrengsten van zijn bedrijf, waarbij er alleen in 2001 sprake is geweest van een opleving verband houdende met de toen heersende varkenspest. Het jaar 2002 is met verlies afgesloten en ook 2003 zal met verlies worden afgesloten. Het komt er volgens de man dan ook op neer dat zijn crediteuren in feite al zijn betalingen financieren. De post crediteuren zou thans al zijn opgelopen tot ongeveer € 120.000,--. Voor dit bedrag is er intussen beslag gelegd op de echtelijke woning van partijen door de grootste leverancier van de man. De man heeft er in dat verband op gewezen dat het feitelijke resultaat uit de gewone bedrijfsvoering in 2000 ook al f.7.797,--= € 3.538,12 negatief bedroeg. Het is niet correct geweest om de bijzondere bate in dat jaar mee te rekenen bij zijn inkomsten, nu dat bedrag enkel om fiscaal-technische redenen in de jaarstukken van 2000 zijn opgenomen. Uit de overgelegde jaarstukken blijkt dat er vervolgens in 2001 een winst is behaald van € 41.799,-- en dat er in 2002 een verlies is geleden van € 7.185,--. De man heeft voorlopige cijfers over de eerste vijf maanden van 2003 overgelegd. Op basis van die voorlopige cijfers is er in voornoemde periode sprake van een verlies van € 19.001,21. De man verwacht dat het verlies in 2003 zal uitkomen op € 45.000,--. Volgens de man is de teruggang van zijn bedrijf te wijten aan de slechte economie en aan de toenemende concurrentie van supermarkten. Uit de cijfers blijkt dat er sprake is van een teruglopende omzet. Van € 584.000,-- in 2001 naar € 478.000,-- in 2002, terwijl er in de eerste vijf maanden van 2003 een omzet is behaald van € 165.000,--. Door de resultaten van de afgelopen jaren is ook het negatieve vermogen verder opgelopen te weten van € 133.473,-- per ultimo 2001 tot € 187.106,-- per ultimo 2002. De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij is – kort gezegd – van mening dat er uit de levensstijl van partijen tijdens het huwelijk en met name uit het aantal vakanties, kan worden afgeleid dat de man meer inkomsten heeft dan uit de boeken blijkt. De vrouw is voorts van mening dat de man thans welbewust genoegen neemt met een lager inkomen uit kamerverhuur nu hij de woning boven de slagerij ingrijpend heeft verbouwd om daar zelf te gaan wonen. Daarenboven plaatst de vrouw de nodige vraagtekens bij de voorlopige cijfers van 2003. Volgens de vrouw is er sprake van manipulatie waardoor de man meer netto heeft te besteden dan hij wil doen geloven. De vrouw stelt bovendien dat de man een hoger inkomen zou kunnen vergaren indien hij er voor zou kiezen om niet zoveel tijd te besteden aan zijn hobby. Volgens de vrouw is de beslaglegging op de echtelijke woning tussen de man en de leverancier, die bevriend is met de man, doelbewust afgesproken om haar te dwingen de echtelijke woning snel te verlaten. Beslaglegging op de slagerij zou zakelijk gezien logischer geweest zijn.
Met betrekking tot de vakanties heeft de man ter zitting naar voren gebracht dat deze voor het overgrote deel verband houden met zijn activiteiten als topsporter. De rechtbank heeft in de vorige beschikking reeds overwogen dat de inkomsten en uitgaven van de man in verband met het beoefenen van zijn sport van gelijke grootte zijn, zodat dit argument van de vrouw niet op gaat. De vrouw heeft tijdens het huwelijk altijd geaccepteerd dat de man zich intensief bezig hield met zijn sport en er kan naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de echtscheiding in redelijkheid niet van de man worden verlangd dat hij daarmee nu stopt. De man is na zijn vertrek uit de echtelijke woning boven de slagerij gaan wonen. De meerderjarige zoon van partijen is in september 2003 bij zijn vader ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid niet aan de man kan worden tegengeworpen dat hij de studentenhuisvesting geschikt heeft gemaakt voor eigen bewoning en aldus zijn inkomsten uit kamerverhuur heeft moeten opgeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat de voorlopige cijfers 2003 een getrouw beeld geven van de huidige situatie en dat deze cijfers voor het overige ook aansluiten bij de cijfers van het jaar 2002. Gelet op de hoogte van het verlies in de eerste vijf maanden van 2003 moet het er voor worden gehouden dat het verlies in 2003 veel hoger zal uitkomen dan in het jaar 2002. Voor wat betreft de beslaglegging door de leverancier van de man op de echtelijke woning is de rechtbank van oordeel dat het uit zakelijk oogpunt niet onbegrijpelijk is dat er beslag is gelegd op de echtelijke woning nu de crediteur er alle belang bij heeft dat uit de slagerij van de man zo lang mogelijk inkomsten kunnen worden gegenereerd. Gezien de hierboven geschetste ontwikkelingen komt de rechtbank tot het oordeel dat de omstandigheden na het geven van de vorige beschikking inmiddels in zodanige mate zijn gewijzigd, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de bij die beschikking vastgestelde alimentaties niet in stand kunnen blijven.
De rechtbank is van oordeel dat de draagkracht van de man thans moet worden bezien aan de hand van de definitieve cijfers van de jaren 2000, 2001 en 2002. De rechtbank zal daarbij voor wat betreft het jaar 2000 enkel uitgaan van het bedrijfsresultaat en zal de bijzondere bate in dat jaar achterwege laten nu de rechtbank van oordeel is dat dit bedrag in de jaren 1997 tot 2000 al uitgegeven is en om fiscaal-technische redenen vermeld staat in de jaarstukken 2000. Er is dan sprake van een gemiddelde winst van afgerond € 10.359,-- per jaar.
Voor wat betreft de lasten van de man gaat de rechtbank uit van hetgeen daaromtrent is overwogen in de vorige beschikking, zoals door de man is aangegeven en door de vrouw niet is betwist behalve ten aanzien van het onderstaande. De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat de draagkracht van de man, zelfs indien hij de hypotheek- en onderhoudslasten van de echtelijke woning niet meer zou voldoen zoals door de vrouw is gesteld – en door de man is erkend ten aanzien van één maand, doch naar zijn zeggen wel wordt doorbetaald – geen enkele ruimte meer biedt tot betaling van enig bedrag aan alimentatie. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen met ingang van 15 september 2003, nu de vrouw zich daartegen niet heeft verzet.
De beslissing
De rechtbank
1. wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 20 september 2002 in die zin, dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, met ingang van 15 september 2003 nader wordt gesteld op nihil;
2. wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 20 september 2002 in die zin, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:
- [de dochter], geboren op [geboortedatum] 1985 te [woonplaats];
met ingang van 15 september 2003 nader wordt gesteld op nihil;
Deze beschikking is gegeven door mr. W. Bruins, in tegenwoordigheid van A.W. de Vreede als griffier, op
De griffier: De rechter: