
Jurisprudentie
AQ2466
Datum uitspraak2004-07-13
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/542 NABW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/542 NABW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Betrokkene woonde niet meer in de bijstandsverstrekkende gemeente zodat de bijstandsuitkering dan ook terecht is beëindigd.
Uitspraak
02/542 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. R.A. Scherpenhuysen, advocaat te Harderwijk, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 27 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/672 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn vervolgens nog stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2004, waar appellante en mr. Scherpenhysen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L.G. Röst, werkzaam bij de gemeente Harderwijk.
II. MOTIVERING
Appellante ontving sedert 1 januari 2000 van gedaagde een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
In het kader van een opsporingsonderzoek heeft appellante op 7 november 2000 ten overstaan van de sociale recherche een verklaring afgelegd, welke is vastgelegd in een proces-verbaal van verhoor. Uit de resultaten van bedoeld onderzoek heeft gedaagde onder meer afgeleid dat appellante vanaf 1 mei 2000 niet meer in [woonplaats] woonde, doch bij [partner] te Haarlem.
Hierop heeft gedaagde bij besluit van 5 december 2000 de uitkering van appellante met ingang van 1 november 2000 beëindigd.
Bij besluit van 17 april 2001 heeft gedaagde de namens appellante tegen het besluit van
5 december 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft zich hierbij onder meer op het standpunt gesteld dat appellante sedert
1 mei 2000 haar woonplaats niet meer in de gemeente [woonplaats] had.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 17 april 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van de gegevens van het opsporingsonderzoek, waaronder in het bijzonder de door appellante ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring van
7 november 2000, is naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat appellante vanaf 1 mei 2000 hoofdzakelijk bij haar partner [partner] in Haarlem verbleef, zodat zij haar woonplaats ten tijde hier van belang niet (meer) in de gemeente [woonplaats] had.
In hetgeen in hoger beroep namens appellante naar voren is gebracht heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen.
Naar aanleiding van de stelling van appellante dat haar verklaring anders is weergegeven dan door haar bedoeld, overweegt de Raad in de eerste plaats dat de verklaring aan haar is voorgelezen en vervolgens is neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal.
Ook is de Raad niet gebleken dat appellante, die van Filippijnse afkomst is, de Nederlandse taal niet goed genoeg beheerste om de haar door de sociale recherche gestelde vragen en de haar voorgelezen weergave van de door haar gegeven antwoorden zonder de hulp van een tolk goed te kunnen begrijpen.
Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat in het betreffende proces-verbaal van verhoor en ook in het verslag van de hoorzitting geen melding is gemaakt van de gestelde taalproblemen van appellante. De in hoger beroep nog overgelegde gegevens omtrent de taallessen die appellante zou hebben gevolgd bij het instituut Landstede zijn allerminst eenduidig; reeds daarom kan aan die gegevens niet de door appellante beoogde betekenis worden toegekend.
Naar het oordeel van de Raad moet appellante dan ook aan haar oorspronkelijke verklaring worden gehouden.
Uit het vorenstaande volgt dat appellante op grond van het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van de Abw ten tijde hier van belang niet langer recht op bijstand jegens gedaagde had. Gedaagde heeft de bijstandsuitkering van appellante dan ook terecht met ingang van 1 november 2000 beëindigd.
Het hoger beroep kan derhalve niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2004.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) S.W.H. Peeters.
JK/2364