Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2456

Datum uitspraak2004-07-19
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/6073 WIK
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing aanvraag uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars(Wik) omdat betrokkene niet als kunstenaar in de zin van de Wik kan worden aangemerkt.


Uitspraak

01/6073 WIK U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant heeft mr. B.R.M. de Bruyn, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 oktober 2001, reg.nr. 00/1351 WIK. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 5 juli 2004, waar voor appellant is verschenen mr. De Bruyn en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Op 16 december 1999 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) ingediend. Het Voorzieningenfonds voor Kunstenaars (VvK) heeft desgevraagd op 2 februari 2000 een advies inzake de beroepsmatigheid van appellant uitgebracht. Bij besluit van 21 maart 2000 heeft gedaagde de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet als kunstenaar in de zin van de Wik kan worden aangemerkt. Bij besluit van 13 september 2000 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2000 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 september 2000 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wik wordt onder kunstenaar verstaan degene die hier te lande werkzaam is in een bedrijf of beroep ter uitvoering van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst. In artikel 4, aanhef en onder b, van de Wik is bepaald dat de kunstenaar recht op uitkering heeft indien hij gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam is geweest en met deze werkzaamheden gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode ten minste het in die maatregel te bepalen bruto-inkomen of bruto-omzet heeft verworven. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder b, van de Wik in samenhang met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Besluit van 5 juni 1998, Stb.343, houdende uitvoering van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Uitvoeringsbesluit WIK) niet van toepassing voor kunstenaars die - zoals appellant - op grond van artikel 47 van de Wik een beroep op deze regeling doen. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wik heeft recht op uitkering de kunstenaar die op het moment van inwerkingtreding van deze wet algemene bijstand op grond van de Abw ontving en die: a. zonder die bijstand niet over voldoende middelen beschikt om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan; b. de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen 12 maanden na de inwerkingtreding ervan; en c. gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam is geweest. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever de concrete invulling van het begrip kunstenaar heeft overgelaten aan de adviserende instelling als bedoeld in artikel 26 van de Wik, het VvK, omdat deze instelling geacht wordt voldoende deskundigheid en ervaring in huis te hebben om vorm en inhoud te geven aan het kunstenaarsbegrip. De kwalificatie dat iemand in bedrijf of beroep als kunstenaar werkzaam is, moet door individuele feitelijke omstandigheden zoals outillage, gerealiseerde kunstproducties, presentaties, een zekere bestendigheid van de kunstproducties, en het verwerven van een zeker inkomen met de verkoop van de gerealiseerde kunstproducties, geschraagd worden. In overeenstemming hiermee hanteert het VvK bij zijn advisering over de vraag of een op het moment van inwerkingtreding van de Wik bijstandsontvangende aanvrager gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam is geweest, een zestal ijkpunten, waarbij de zojuist genoemde omstandigheden en de beroepsopleiding van de aanvrager worden bezien. De Raad is evenals de rechtbank niet gebleken dat het advies van het VvK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hiertoe overweegt de Raad dat het VvK per ijkpunt aan de hand van een door appellant ingevuld vragenformulier met bijlagen een op de omstandigheden van appellant toegesneden uiteenzetting heeft gegeven. Uit het advies volgt dat de presentaties van appellant onvoldoende zijn, zijn positie in het relevante circuit zwak is en dat hij de afgelopen drie jaar geen inkomsten uit kunstenaarschap heeft verworven. Op grond van de verstrekte gegevens heeft het VvK vervolgens geadviseerd om appellant niet aan te merken als kunstenaar in de zin van de Wik. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd voorts geen grond om voormeld advies voor onjuist te houden nu appellant niet aan de hand van stukken heeft aangetoond of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat dit advies op onjuiste gegevens is gebaseerd dan wel dat sprake is van een onjuiste weergave van appellants omstandigheden. Aan de door appellant gestelde toekomstplannen, kan de Raad niet die betekenis toekennen die appellant daaraan toegekend wenst te zien. In dit geding gaat het om de vraag of gezegd kan worden dat appellant gedurende een zekere periode (onmiddellijk) voorafgaand aan zijn aanvraag van 16 december 1999 als kunstenaar in de zin van de Wik werkzaam is geweest. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat gedaagde zijn besluit op het advies van het VvK kon en mocht baseren en de onderhavige aanvraag terecht heeft afgewezen. De aangevallen uitspraak komt derhalve met inachtneming van het voorgaande voor bevestiging in aanmerking. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2004. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) I.D. Veldman. JK/1474