Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2379

Datum uitspraak2004-07-08
Datum gepubliceerd2004-07-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4491 AKW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzen kinderbijslag omdat betrokkene op de relevante datum niet als ingezetene kan worden aangemerkt en derhalve niet is verzekerd voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/4491 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde. ?. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft de Sociale Verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Bij besluit van 24 april 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 18 februari 2002, waarbij de aanvraag van appellante om toekenning van kinderbijslag is afgewezen omdat zij op 1 april 2002 niet als ingezetene kan worden aangemerkt en derhalve niet is verzekerd voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 14 augustus 2003 onder kenmerk 02/491 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 4 juni 2004 heeft appellante nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 juni 2004, waar appellante in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de SVB. ??. MOTIVERING Partijen zijn in dit geding verdeeld over het antwoord op de vraag of appellante op de peildatum van het tweede kwartaal 2002, 1 april 2002, als verzekerd in de zin van de AKW kan worden aangemerkt. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Niet in geschil is dat appellante op voornoemde peildatum niet ter zake van binnen Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment dat het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde peildatum niet gezegd kan worden dat de binding met Nederland dusdanig was dat appellante als ingezetene kan worden beschouwd. Appellante verblijft sinds 8 juni 1999 in Nederland. Op 1 april 2002 beschikte zij niet langer over een voorwaardelijk vergunning tot verblijf en over haar aanvraag tot toelating in Nederland was nog niet onherroepelijk beslist. De economische binding van appellante met Nederland is naar het oordeel van de Raad evenmin als sterk te beschouwen. Appellante was voor haar levensonderhoud immers aangewezen op een uitkering op grond van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf en beschikte niet over eigen, zelfstandige woonruimte daar de gemeente in het kader van voornoemde wet zorg droeg voor haar huisvesting en de daarmee gepaard gaande vaste lasten. De sociale binding van appellante met Nederland was op 1 april 2002 aanzienlijk sterker. Hierbij acht de Raad van belang dat op 1 april 2002 het gehele gezin van appellante in Nederland verbleef, de oudste kinderen onderwijs volgden en het jongste kind hier ten lande is geboren. Tevens acht de Raad van betekenis dat appellante en haar echtgenoot een inburgeringcursus hebben gevolgd en haar echtgenoot vrijwilligerswerk voor Humanitas heeft verricht. Hierbij tekent de Raad echter aan, dat een persoonlijke band van duurzame aard bij vestiging in Nederland geleidelijk wordt opgebouwd. Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat gedaagde, de juridische, economische en sociale binding in onderling samenhang bezien, terecht en op goede gronden het bestreden besluit heeft genomen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting wil de Raad niet onbesproken laten dat het door gedaagde met inwerkingtreding van de Koppelingswet per 1 juli 1998 verlaten zogenaamde drie-jaren beleid opnieuw in haar Beleidsregels 2004 is opgenomen. Volgens voornoemd beleid kan in een situatie waarin geen sprake is van een juridische binding omdat een persoon niet over een vergunning tot verblijf beschikt waardoor in beginsel geen zekerheid bestaat op voortgezet verblijf in Nederland, een gerealiseerde verblijfsduur van drie jaren in Nederland een positieve aanwijzing vormen voor het aannemen van ingezetenschap. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. ???. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitsproken in het openbaar op 8 juli 2004. (get.) R.C. Stam (get.) M. Renden Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2, 3 of 6 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden. MvK08074