
Jurisprudentie
AQ2117
Datum uitspraak2004-07-08
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1208 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1208 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Is terecht geweigerd om aan betrokkene een vergoeding toe te kennen voor gemis aan octrooi op grond van artikel 12 van de ROW 1995?
Uitspraak
03/1208 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Algemeen Bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 januari 2003, AWB 01/2742 AW, gepubliceerd in TAR 2003, 49, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Hierbij is het verzoek gedaan om beperking van de kennisneming van stukken als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat verzoek is behandeld ter zitting van 4 september 2003 naar aanleiding waarvan dat verzoek is ingetrokken en waarna gedaagde de desbetreffende stukken alsnog op de gebruikelijke wijze heeft overgelegd.
Vervolgens hebben partijen nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. van Hoorn. Gedaagde heeft zich laten vertegen-woordigen door mr. K.A.J. Bisschop, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door
mr. ir. J. van Breda, werkzaam bij het octrooibureau Los en Stigter B.V.,
mr. M.M. Koning, werkzaam bij de Stichting voor de Technische Wetenschappen (STW) en mr. L. van der Valk, werkzaam bij de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO).
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was van 1 november 1994 tot 1 februari 1999 in dienst van de NWO. Hij vervulde de functie van projectmedewerker in de categorie wetenschappelijk personeel op basis van een tijdelijke aanstelling ten behoeve van het onderzoek “Analyse van (auto)antigene determinanten met behulp van synthetische peptidenbanken”.
1.2. Het onderzoek was gericht op bevordering van vroegtijdige vaststelling van bepaalde auto-antistoffen ingeval van reumatische ziekten. Op grond van de resultaten van dat onderzoek kan een aanvang worden gemaakt met de ontwikkeling van diagnostische tests voor commercieel gebruik. Het onderzoek is verricht door de vakgroep Biochemie van de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN), waarbij appellant feitelijk was tewerkgesteld, en het werd gesubsidieerd door de Stichting Scheikundig Onderzoek Nederland (SON) en de STW. Het budget van de STW is voor 60% afkomstig van de NWO.
1.3. Na een aanvraag daartoe op 15 november 1996 is in mei 1998 aan de STW en de SON een Nederlands octrooi verleend voor de uitvinding met de titel "peptide afgeleid van een door auto-antilichamen van patiënten met reumatoïde artritis herkend antigeen, antilichaam daartegen en werkwijze voor het detecteren van auto-immuumantilichamen” .
1.4. Op 1 februari 1999 heeft appellant zowel aan gedaagde als aan de STW verzocht om toekenning van een vergoeding voor gemis aan octrooi met verwijzing naar artikel 12, zesde lid, van de Rijksoctrooiwet (ROW) 1995. Bij het primaire besluit van 16 oktober 2000 heeft gedaagde geweigerd een besluit te nemen op dat verzoek op de grond dat niet de NWO, maar de STW de octrooihouder is. Bij het besluit op bezwaar van 18 april 2001 (bestreden besluit) heeft gedaagde in overeenstemming met het zich tot de bevoegd-heidsvraag beperkende advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften NWO, zich, omdat appellant in dienst was bij de NWO, alsnog bevoegd geacht op zijn verzoek een beslissing te nemen. Voorts heeft gedaagde besloten dat verzoek af te wijzen.
1.5. Gedaagde heeft deze afwijzing inhoudelijk gebaseerd op het advies van de STW van 4 april 2001. Daarin is - met verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 27 mei 1994, NJ 1995, 136 en 1 maart 2002, NJ 2003, 210 - het standpunt ingenomen dat een vergoeding voor het gemis van octrooi in de regel geacht kan worden te zijn opgenomen in het loon, dat appellant geen bijzondere bijdrage heeft geleverd aan de uitvinding en dat er slechts sprake is van een basisoctrooi dat nog verdere (commerciële) ontwikkeling behoeft zodat toekenning van een vergoeding als door appellant gevraagd niet gerechtvaardigd is.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij ambtshalve overwogen dat de bestuursrechter bevoegd is van het geding kennis te nemen omdat de onderhavige weigering een vergoeding toe te kennen een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond van die wet bezwaar en beroep open staat. In de omstandigheden dat de commissie beroep- en bezwaarschriften NWO zich in haar advisering heeft beperkt tot een oordeel over gedaagdes bevoegdheid om een inhoudelijke beslissing op het verzoek van appellant te nemen en appellant vervolgens niet in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van en te reageren op het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de STW, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien dat besluit te vernietigen. Voorts heeft zij met inachtneming van het uitgangspunt en de daarbij van belang zijnde omstandigheden als vermeld door de Hoge Raad in de in 1.5. vermelde arresten, geoordeeld dat gedaagde niet gehouden is om aan appellant een vergoeding voor gemis aan octrooi toe te kennen.
3. In hoger beroep stelt appellant dat gedaagde bij zijn in het primaire besluit ingenomen standpunt is gebleven dat hij onbevoegd is om een besluit te nemen op appellants aanvraag. Voorts heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn grief dat bij het bestreden besluit geen sprake is geweest van een heroverweging van het primaire besluit op grondslag van het bezwaar omdat hij niet in de gelegenheid is geweest om te reageren op het advies van de STW. Tevens is appellant van mening dat in zijn geval geen betekenis toekomt aan de door de Hoge Raad in de in 1.5. vermelde arresten genoemde omstandigheden die van belang zijn voor de bepaling of er aanleiding bestaat voor het toekennen van een vergoeding voor gemis aan octrooi. Appellant is van oordeel dat hij in aanmerking had moeten worden gebracht voor de door hem verlangde vergoeding.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1.1. Appellant bestrijdt terecht het oordeel van de rechtbank dat het na de hoorzitting van de commissie beroep- en bezwaarschriften NWO bij gedaagde ingediende advies van de STW, gelet op artikel 7:9 van de Awb, niet noopte tot het opnieuw (doen) horen van appellant op straffe van vernietiging van het bestreden besluit. De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat dit advies en de daarbij gevoegde bijlagen niet als feiten of omstandigheden beschouwd kunnen worden die voor de op het bezwaarschrift te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn als bedoeld in die bepaling. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat gedaagde, omdat hij zich aanvankelijk onbevoegd achtte te beslissen op het verzoek van appellant om een vergoeding, niet eerder een inhoudelijk standpunt had ingenomen op appellants desbetreffende verzoek en dat de juist genoemde commissie zich evenmin inhoudelijk daarover heeft uitgelaten, ondanks het feit dat appellant ook inhoudelijke gronden had aangevoerd. Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde zich met het oog op de beslissing op bezwaar tot de STW heeft gericht met het verzoek hem daaromtrent te adviseren. Onder deze omstandigheden had het horen van appellant over dat advies en de daarbij gevoegde stukken, waarvan er twee appellant toen niet bekend waren, niet achterwege mogen blijven.
4.1.2. Om die reden is het bestreden besluit ten onrechte door de rechtbank in stand gelaten. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen: hij verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit.
4.2. De Raad ziet aanleiding om ter finale afdoening van het geschil te onderzoeken of het bestreden besluit overigens zijn toetsing kan doorstaan.
4.2.1. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde geweigerd om aan appellant een vergoeding toe te kennen voor gemis aan octrooi op grond van artikel 12 van de ROW 1995.
Voorzover hier van belang is in artikel 12 van de ROW 1995 het volgende bepaald:
1. Indien de uitvinding, waarvoor octrooi wordt aangevraagd, is gedaan door iemand die in dienst van een ander een betrekking bekleedt, heeft hij aanspraak op octrooi, tenzij de aard van de betrekking medebrengt, dat hij zijn bijzondere kennis aanwendt tot het doen van uitvindingen van dezelfde soort als die waarop de octrooiaanvrage betrekking heeft. In het laatstbedoelde geval komt de aanspraak op octrooi toe aan de werkgever.
3. Indien de uitvinding is gedaan door iemand die in dienst van een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling onderzoek verricht, komt de aanspraak op octrooi toe aan de betrokken universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling.
6. Ingeval de uitvinder niet geacht kan worden in het door hem genoten loon of de door hem genoten geldelijke toelage of in een bijzondere door hem te ontvangen uitkering vergoeding te vinden voor het gemis aan octrooi, is degene aan wie krachtens het eerste, tweede of derde lid, de aanspraak op octrooi toekomt, verplicht hem een, in verband met het geldelijke belang van de uitvinding en met de omstandigheden waaronder zij plaatshad, billijk bedrag toe te kennen. Een vorderingsrecht van de uitvinder krachtens dit lid vervalt na verloop van drie jaren sedert de datum waarop het octrooi is verleend.
4.2.2. De Raad staat dan voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op gedaagde niet de plicht rust appellant op grond van artikel 12, zesde lid, van de ROW 1995 een billijk bedrag toe te kennen. De rechtbank heeft zich gebaseerd op de in 1.5. bedoelde jurisprudentie van de Hoge Raad.
4.2.2.1. Appellant heeft, ter ondersteuning van zijn stelling dat de genoemde arresten voor de beoordeling van zijn verzoek niet van betekenis zijn, aangevoerd dat deze arresten zijn gewezen onder de gelding van (het aan artikel 12, zesde lid, van de ROW 1995 voorafgaande) artikel 10 van de ROW 1910 dat geen specifieke bepaling kent met betrekking tot uitvindingen door onderzoekers als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de ROW 1995. Met de toevoeging van deze bepaling in 1995 heeft de wetgever naar de opvatting van appellant beoogd tot uitdrukking te brengen dat wetenschappelijk onder-zoekers, anders dan de in het eerste lid van artikel 12 van de ROW 1995 bij wijze van uitzondering genoemde categorie van uitvinders aan wie geen aanspraak op octrooi toekomt, niet zijn aangesteld voor het doen van uitvindingen, maar voor bevordering van de wetenschap, hetgeen volgens appellant impliceert dat uitvindingen van wetenschappe-lijk onderzoekers niet kunnen worden beschouwd als vruchten van betaalde arbeid.
4.2.2.2. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. Blijkens de memorie van toelichting op artikel 12 van de ROW 1995 (TK 1991-1992, 22 604 (R1435), nr. 3) was het de bedoeling van de wetgever dat dit artikel overeenstemt met artikel 10 van de ROW 1910. Voorts constateert de Raad dat de voorwaarden voor het toekennen van de onderhavige vergoeding in het tweede lid van het laatstgenoemde artikel zijn overgenomen in artikel 12, zesde lid, van de ROW 1995. Het derde lid van artikel 12 ROW 1995 is bij amendement aangebracht om de positie van de onderzoeker bij een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling afzonderlijk te regelen, teneinde meer uniformiteit voor deze categorie uitvinders te bewerkstelligen (amendement van de leden Witteveen-Hevinga en Van der Hoeven, TK 1993-1994, 22 604 (R 1435), nr. 22, Handelingen TK 1994, 61-4509). De wetgever heeft door te bepalen dat de aanspraak op octrooi toekomt aan de universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling de onderzoeker op één lijn gesteld met de in artikel 12, eerste lid, van de ROW 1995 genoemde uitvinder van wie de aard van zijn betrekking meebrengt dat hij zijn bijzondere kennis aanwendt tot het doen van uitvindingen van dezelfde soort als die waarop de octrooiaanvrage betrekking heeft.
Uit de overige bewoordingen van artikel 12, derde lid, ROW 1995 volgt dat de wetgever daarbij geen onderscheid heeft voorgestaan tussen onderzoekers met een ambtelijke aanstelling en onderzoekers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
4.2.2.3. De Raad komt daarom tot de conclusie dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft gehanteerd.
4.2.2.4. In overeenstemming met het uitgangspunt van de wetgever, neergelegd in
- thans - de eerste volzin van het zesde lid van artikel 12 van de ROW 1995, neemt de Hoge Raad in het arrest van 1 maart 2002, NJ 2003, 210, tot uitgangspunt dat een vergoeding voor het gemis aan octrooi is begrepen in het loon. Er is slechts aanleiding voor toekenning van een vergoeding voor het missen van de aanspraak op octrooi in het zich in de regel niet voordoende geval dat het loon niet geacht kan worden een dergelijke vergoeding in te houden. De vraag of dat geval zich voordoet en of derhalve aan de uitvinder een vergoeding toekomt van een in verband met het geldelijk belang der uitvinding en met de omstandigheden waaronder zij plaatshad billijk bedrag, moet beantwoord worden aan de hand van de omstandigheden van het geval, zoals:
a) de positie en de functie van de uitvinder binnen de organisatie,
b) zijn honorering en verdere arbeidsvoorwaarden,
c) de aard en het (geldelijk) belang van de uitvinding en
d) de mate waarin betrokkene aan de uitvinding heeft bijgedragen.
a) de positie en de functie van uitvinder binnen de organisatie
4.2.2.5. Uit de gedingstukken, waaronder het aanstellingsbesluit en de onderzoeksopzet, volgt dat appellant vanwege zijn bijzondere kennis was aangesteld ten behoeve van een onderzoek dat was gericht op de ontwikkeling van tests om reuma in een vroeg stadium te kunnen diagnosticeren waarbij in octrooiverlening was voorzien. In deze positie is geen grond gelegen om appellants geval als bijzonder aan te merken.
b) honorering en verdere arbeidsvoorwaarden
4.2.2.6. De aan de destijds door appellant vervulde functie verbonden salarisschaal 10 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en de tijdelijkheid van zijn aanstelling zijn niet ongebruikelijk in geval van een dergelijke functie. De stelling van appellant dat de condities voor gepromoveerde onderzoekers bij onderzoeksinstellingen in het buitenland en in het bedrijfsleven beter zijn, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat de vergoeding wegens gemis aan octrooi is verdisconteerd in het salaris. De bewering van appellant dat hij in totaal 2000 overuren heeft gemaakt in verband met werkzaamheden naast het onderzoek wordt door gedaagde bestreden en de Raad heeft in de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de stelling van appellant dat zijn positie in zoverre een bijzondere was.
c) het (geldelijk) belang van de uitvinding
4.2.2.7. In het licht van de in de tweede volzin van artikel 12, zesde lid, van de ROW 1995 opgenomen vervaltermijn neemt de Raad bij de waardering van het (geldelijk) belang van het octrooi als peilmoment de datum waarop appellant zijn aanvraag om een vergoeding heeft gedaan, te weten 1 februari 1999. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het redelijkerwijs te verwachten (geldelijk) belang van het octrooi op dat moment zeer aanzienlijk was. In de onderzoeksopzet was weliswaar voorzien in de ontwikkeling van tests en de mogelijkheid van commerciële toepassing daarvan, maar er zijn geen aanwijzingen voor een, op meervermeld moment, te verwachten uitzonderlijk resultaat van het octrooi. Uit de gedingstukken blijkt dat sprake was van niet meer en niet minder dan - weer - een stapje in een onderzoek.
Ook uit de door partijen naar voren gebrachte gegevens over de latere ontwikkelingen, waaronder een tweede octrooiaanvraag, blijkt niet iets anders.
d) de mate waarin betrokkene aan de uitvinding heeft bijgedragen
4.2.2.8. De stelling van appellant dat de gestelde wijziging van de onderzoeksmethode (uitsluitend) door hem is bedacht en dat hij hierdoor een beslissende wending aan het onderzoek heeft gegeven, treft geen doel. De Raad heeft ook voor deze stelling in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden en acht hierbij mede van belang dat naast appellant nog drie andere personen als uitvinder worden genoemd in het octrooi. Dat appellant (evenals zijn mede-uitvinders) een belangrijke bijdrage aan het onderzoek heeft geleverd wordt overigens niet ontkend door gedaagde.
Blijkens de door appellant op 5 april 2004 overgelegde verklaringen van A. Meekel, biochemicus/octrooigemachtigde bij het Nederlands Octrooibureau van 27 februari 2003 en 8 april 2003 ligt het octrooi binnen de doelstelling van het onderzoek. De stelling van appellant dat de in het voorstel vermelde onderzoeksmethode is aangepast (door over te gaan op het inbouwen van een gemodificeerd aminozuur in een synthetisch peptide) heeft de Raad er niet van overtuigd dat het octrooi min of meer het toevallige product is van (mede door appellant verricht) wetenschappelijk onderzoek. De overige verklaringen van Meekel brengen de Raad niet tot een ander oordeel nu deze biochemicus/octrooi-gemachtigde, na kennisname van twee (mede) door appellant met betrekking tot het onderzoek gepubliceerde artikelen, het standpunt heeft ingenomen dat de woorden “toevallig product” niet geheel passend zijn en dat de artikelen waarschijnlijk een origineel product van wetenschappelijk onderzoek beschrijven.
Van een onderzoeker met een aanstelling en een expertise als die van appellant mag worden verwacht dat hij meewerkt aan het wijzigen van de onderzoeksmethode om tot een optimaal onderzoeksresultaat te komen. Dit geldt evenzeer voor de door appellant gestelde werkzaamheden als het leggen van contact met een laboratorium bij een andere universiteit wegens ontbreken van voldoende onderzoeksfaciliteiten in de toenmalige accommodatie en het aanvragen van het octrooi. Ook in deze opzichten is appellants positie niet als een bijzondere te beschouwen.
4.2.2.9. Hetgeen overigens door appellant naar voren is gebracht noodzaakt evenmin tot het oordeel dat appellants geval in die mate als bijzonder is te beschouwen dat het loon niet kan worden geacht een vergoeding in te houden voor gemis aan octrooi. Dit betekent dat gedaagde zich terecht niet gehouden heeft geacht om aan appellant een vergoeding voor gemis van octrooi toe te kennen.
5. Nu de rechtbank gezien het vorenstaande bij de inhoudelijke beoordeling van het geschil uitgegaan is van de juiste feiten en omstandigheden en de door haar terecht gehanteerde maatstaf ook juist heeft toegepast, ziet de Raad aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
6. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot een vergoeding van een bedrag van € 322,- aan kosten van in beroep verleende rechtsbijstand, een bedrag van € 25,40 aan reiskosten in beroep en een bedrag van € 26,60 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 373,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit van 18 april 2001;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
€ 373,-, te betalen door de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
Bepaalt dat die organisatie aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2004.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.M. Okyay-Bloem.
HD
05.07
Q