
Jurisprudentie
AQ2103
Datum uitspraak2004-06-25
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/6053 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/6053 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering op de grond dat de mate van de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
Uitspraak
02/6053 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 20 maart 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 30 januari 2001 waarbij hij de aan haar op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende en laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer berekende uitkering per 19 maart 2001 heeft ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
Bij uitspraak van 16 oktober 2002, kenmerk WAO 02/998 STU, heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van appellante tegen het besluit van 20 maart 2002 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 mei 2004. Voor appellante is verschenen mr. G.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, en voor gedaagde mr. K.M. Schuijt, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante was sinds oktober 1986 werkzaam als schoonmaakster voor 10 uur per week toen zij op 14 maart 1994 met psychische klachten uitviel voor dat werk. Bij besluit van
9 maart 1995 is aan haar onder meer een WAO-uitkering naar een mate van arbeids-ongeschiktheid van 80% of meer toegekend welke in het kader van de eerstejaars herbeoordeling ongewijzigd is gehandhaafd. In het kader van de behandeling van een adviesaanvraag van de Sociale verzekeringsbank, welke is gecombineerd met de vijfdejaars herbeoordeling - het dienstverband van appellante was inmiddels verbroken - is appellante op 12 september 2000 gezien door de verzekeringsarts P.M. Dekkers, die, rekening houdend met beperkingen van de rug van appellante, is gekomen tot de conclusie dat appellante medisch gezien in staat moet worden geacht tot passende arbeid. Vervolgens is de arbeidsdeskundige J.G. Theunissen op 14 november 2000 op basis van een drietal voor appellante geschikt te achten functies gekomen tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 3,2%. In zijn brief van 18 januari 2001 aan appellante heeft deze arbeidsdeskundige aan appellante meegedeeld dat zij naar zijn mening, gelet op de vastgestelde beperkingen, haar (vroegere) werk als schoonmaakster toen waarschijnlijk nog kon doen, maar zij zonder twijfel ook geschikt is voor ander gangbaar werk.
Bij het primaire besluit is de WAO-uitkering aan appellante per 19 maart 2001 (met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden), ingetrokken.
In bezwaar tegen dat besluit heeft appellante onder overlegging van een recente verklaring van haar huisarts medische en arbeidskundige bezwaren aangevoerd.
De bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards is op 22 augustus 2001 gekomen tot de conclusie dat, aangezien het aantal arbeidsplaatsen niet tenminste 30 bedraagt en ook één van de in de primaire fase aan appellante voorgehouden functies bij nader inzien niet geschikt is, de theoretische schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid niet in stand kan blijven. In aanmerking genomen de door de verzekeringsarts Dekkers aangegeven belastbaarheid en voorts dat één van de aan appellante als geschikt voorgehouden functies die van schoonmaakster zonder enige overschrijding van de beperkte belast-baarheid betrof, heeft hij vervolgens de conclusie getrokken dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid van schoonmaakster, welke functie zij ook jarenlang heeft uitgeoefend.
De bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo - Nadels heeft op 20 februari 2002, na appellante op 18 december 2001 met een tolk op het spreekuur te hebben gehad en kennis te hebben genomen van de voorhanden medische gegevens, het standpunt ingenomen dat er onvoldoende aanleiding bestaat om het door de primaire verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon aan te scherpen.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de bezwaren van appellante ongegrond verklaard onder nadere overweging dat appellante in staat moet worden geacht haar eigen werk als schoonmaakster te verrichten.
In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij medisch gezien meer beperkt is dan vanwege gedaagde is aangenomen en (dus) niet in staat is haar eigen werk als schoon-maakster te verrichten. Zo anders is zij van mening dat de aan de haar als geschikt voorgehouden functie van medewerkster schoonmaakdienst ziekenhuis in een inrichting of tehuis (exclusief bejaardentehuis) verbonden schoonmaakwerkzaamheden niet op één lijn zijn te stellen met de niet naar behoren beschreven schoonmaakwerkzaamheden die zij in teamverband in een school verrichtte en dat, indien dat wel zo zou zijn, vanwege de verandering van grondslag uit oogpunt van zorgvuldigheid de zogeheten afschatting slechts had mogen geschieden per een in de toekomst gelegen datum, dat wil zeggen met inachtneming van een nieuwe uitlooptermijn van twee maanden sinds dat veranderde standpunt aan haar (bij brief van 5 maart 2002) kenbaar is gemaakt, teneinde haar in staat te stellen zich op de nieuwe situatie in te stellen.
Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. Daarbij is geen van de evenvermelde argumenten van appellante gehonoreerd.
In hoger beroep heeft appellante haar in beroep aangevoerde argumenten min of meer herhaald.
De Raad overweegt het volgende.
Appellante heeft haar primaire standpunt niet met medische of andere gegevens nader onderbouwd. Aangezien niet is kunnen blijken dat het onderzoek door en het rapport van de (bezwaar-)verzekeringsarts niet voldoen aan de daaraan uit oogpunt van met name zorgvuldigheid te stellen eisen, is de Raad van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij medisch gezien meer en/of anders is beperkt dan is vastgesteld bij het belastbaarheidspatroon.
Het oorspronkelijke eigen werk van appellante - zij was in dienst van een bedrijf dat het schoonmaken van diverse objecten zoals kantoren, (andere) bedrijven, scholen, winkels e.d. verzorgde en hield zich, naar tussen partijen niet in geschil is, bezig met het schoon-maken van scholen - is naar het oordeel van de Raad in met name het rapport van de arbeidsdeskundige van 14 november 2000 qua aard, belasting en omvang zodanig beschreven dat op basis daarvan een goed gefundeerd oordeel over het eigen deeltijdse werk van appellante en gelet op haar belastbaarheid haar geschiktheid daarvoor kon worden gegeven. In zijn brief van 18 januari 2001 aan appellante heeft de arbeids-deskundige Theunissen als zijn mening gegeven dat zij, gelet op de vastgestelde beperkingen, haar eigen werk, al is het dienstverband inmiddels verbroken, toen
02/6053 WAO
– 4 –
waarschijnlijk nog kon doen, maar dat zij zònder twijfel ook geschikt is voor ander werk. Voorts is vanwege gedaagde aangetoond dat door appellante met haar belastbaarheid in deeltijd te vervullen schoonmaakfuncties ten tijde van haar zogeheten afschatting in voldoende mate reëel beschikbaar waren. In aanmerking genomen voorts dat de aan de haar als geschikt voorgehouden deeltijdse functie van medewerker schoonmaakwerk-zaamheden ziekenhuis verbonden schoonmaakwerkzaamheden in een inrichting of tehuis (exclusief bejaardentehuis) qua aard, belasting en omvang op één lijn kunnen worden gesteld met haar oorspronkelijke eigen werkzaamheden, heeft appellante uit de brief van de arbeidsdeskundige Theunissen van 18 januari 2001 kunnen en moeten begrijpen dat zij in staat werd geacht haar eigen werk te verrichten.
Onder de hiervoor gegeven omstandigheden brengt de verandering van grondslag bij het thans bestreden besluit niet met zich dat de datum per welke de WAO-uitkering aan appellante bij het primaire besluit is beëindigd opnieuw moet worden vastgesteld met inachtneming van een nieuwe uitlooptermijn van twee maanden per de datum waarop het bij het (toen nog te nemen) besluit op bezwaar gaan hanteren van die andere grondslag is kenbaar gemaakt.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Aangezien geen termen aanwezig zijn voor een proceskostenveroordeling, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en
mr. G.J.H. Doornewaard als leden in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
MH