Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2102

Datum uitspraak2004-02-26
Datum gepubliceerd2004-08-20
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 04/5082, 04/5080
Statusgepubliceerd


Indicatie

Somalië / Digil / traumatabeleid. Verzoeker behoort tot de Gare-bevolkingsgroep, clanfamilie Digil. Het ambtsbericht van september 2003 vermeldt over de Digil dat zij in het algemeen een maatschappelijk zwakkere positie innemen dan de nomadische clanfamilies. Uit het asielrelaas blijkt dat bij een overval de echtgenote en de twee dochters van verzoeker door de overvallers zijn verkracht. De rechtbank is van oordeel dat het niet uitgesloten is dat een verband bestaat tussen de handelswijze van de overvallers en verzoekers etnische afkomst. De rechtbank overweegt dat hoewel geen aanwijzingen bestaan dat sprake is van groepsvervolging, de positie van de Gare in het door Leesan gedomineerde gebied zodanig is dat een individueel lid van deze bevolkingsgroep reeds als vluchteling moet worden aangemerkt indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte daden van vervolging, die in verband kunnen worden gebracht met de etnische afkomst. Volgens de rechtbank biedt het asielrelaas van verzoeker voldoende aanknopingspunten voor een geslaagd beroep op artikel 29, eerste lid, onder a Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat genoemde overval als een traumatiserende gebeurtenis kan worden gezien. De verwijzing van verweerder naar het feit dat verzoeker niet binnen zes maanden na de overval is vertrokken is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verzoeker geen geslaagd beroep kan doen op het traumatabeleid. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.


Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam vreemdelingenkamer voorlopige voorziening Uitspraak artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nrs.: AWB 04/5082 (voorlopige voorziening), AWB 04/5080 (beroep) inzake: A, die stelt te zijn geboren op [...] 1961, van Somalische nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium aan de Wenckebachweg te Amsterdam, verzoeker, gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem, tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: mr. W.B. Klaus, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. I. PROCESVERLOOP 1. Op 3 februari 2004 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 februari 2004 waarbij de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist. 2. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 20 februari 2004. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig Z. Jumale als tolk in de Somalische taal. II. ASIELRELAAS Verzoeker heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Verzoeker behoort tot de Gare bevolkingsgroep en is afkomstig uit B. In 1994 was hij, met anderen, onderweg ergens naar toe en werden zij door gewapende mannen overvallen. Verzoeker is toen in zijn been geschoten. Vanaf 1997 zijn verzoekers problemen begonnen. Verzoeker handelde in vee en zijn zoon C kocht vee in. Gewapende mannen hebben de zoon gedood en hem beroofd. In maart 2003 kwamen gewapende mannen naar eisers huis en hebben hem vastgebonden. Ze hebben zijn vrouw en twee oudste dochters verkracht. De overvallers vroegen om geld. Verzoeker werd ergens naar toe gebracht en geslagen. Nadat verzoeker hen geld had gegeven, vertrokken zij. Deze drie gebeurtenissen hebben eiser gedwongen het land te verlaten. In Somalië bestaat geen overheid en geen veiligheid. III. STANDPUNTEN PARTIJEN 1. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker binnen 48 procesuren in het aanmeldcentrum (AC) afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Verzoeker beschikt toerekenbaar niet over documenten ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas, omdat hij de grensoverschrijdende documenten heeft afgegeven aan de reisagent en geen verifieerbare en concrete informatie heeft kunnen verschaffen over de reisroute. Zo wist verzoeker de naam van de luchtvaartmaatschappij niet, herkende hij het logo van de luchtvaartmaatschappij niet en wist hij zijn stoelnummer niet. Dat de reisagent hem niet had ingelicht over de reisroute ontslaat hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid mee te werken aan de vaststelling van de reisroute. Uit de informatie van de KMAR blijkt bovendien dat verzoeker met een Keniaans paspoort heeft gereisd op de naam van D, voorzien van een goedgelijkende foto, terwijl verzoeker meerdere keren heeft verklaard te hebben gereisd onder de naam E. Verzoeker is tijdens het nader gehoor met dit Keniaans paspoort geconfronteerd en is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Verweerder heeft deze reactie ontoereikend geacht. Het wordt voorts niet aannemelijk geacht dat verzoeker vanwege zijn Gare-afkomst in de blijvende negatieve aandacht verkeert van de Leesaan, omdat de Gare bevolkingsgroep niet tot de traditionele Somalische minderheidsgroeperingen behoort. De gestelde verkrachtingen houden geen verband met de etnische afkomst van verzoeker en zijn familie. De bandieten vroegen immers om geld en vertrokken nadat zij het resterende gedeelte hadden ontvangen. Verzoeker heeft bovendien verklaard dat de overvallers slechts één ding wilden, namelijk geld. Verzoeker heeft weliswaar gesteld dat de overval tevens verband hield met zijn afkomst, maar heeft dit onvoldoende kunnen concretiseren en onderbouwen, nu hij heeft verklaard dat hij niet zeker weet tot welke clan de overvallers behoorden, maar dat de dorpsoudsten ‘vermoedden’ dat zij tot de Leesan behoren. Na de overval in 2003 hebben verzoeker en zijn familie bovendien geen problemen meer ondervonden. Dat verzoeker sindsdien op verschillende plaatsen verbleef maakt dit niet anders, omdat hij heeft verklaard dat hij enkele malen is teruggekeerd naar zijn woonplaats. Zijn feitelijke gedragingen duiden derhalve niet op vrees voor vervolging. De dood van verzoekers oudste zoon in 1997 leidt niet tot een andere conclusie. Verzoeker weet immers niet met zekerheid door wie zijn zoon is gedood en uit het relaas kan worden opgemaakt dat deze daad om economische motieven plaatsvond. Aan de overval, waarvan verzoeker in 1994 het slachtoffer zou zijn geworden, hebben geen verdragsgerelateerde gronden ten grondslag gelegen. Hij heeft verklaard dat hij het slachtoffer werd omdat van hem bekend is dat hij handelde in vee en geld bezat. Verzoeker had zich, gelet op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 september 2003 en 4 juli 2002 inzake Somalië bovendien aan zijn problemen kunnen onttrekken door zich in de relatief veilige gebieden te vestigen. Vanwege het tijdsverloop tussen de gestelde traumatische gebeurtenissen en het vertrek uit het land van herkomst komt verzoeker niet in aanmerking voor het traumatabeleid. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij zich niet staande kon houden. Verzoeker komt gelet op de verblijfsmogelijkheden in het relatief veilige deel van Somalië evenmin in aanmerking voor een verblijsvergunning op de d-grond, onder verwijzing naar de voornoemde ambtsberichten, de beleids-notitie over categoriale bescherming van 24 september 2001 aan de voorzitter van de Tweede Kamer en Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2001/35. Er zijn geen aanwijzingen dat de veiligheidssituatie in het relatief veilige gedeelte sindsdien is verslechterd. Verweerder overweegt ambtshalve dat staatloosheid niet is aangetoond. Verzoeker bezit immers de Somalische nationaliteit. 2. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag, gelet op de vereiste zorgvuldigheid, niet binnen 48 procesuren heeft kunnen afdoen. Verzoeker meent dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft het ontbreken van documenten ten onrechte tegengeworpen omdat verzoeker zelf niet door de reisagent is ingelicht over de reisroute. Er zijn geen aanwijzingen dat hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Gare-leden bevinden zich in een kwetsbare positie. Zij kunnen straffeloos door leden van andere clans worden aangevallen. De echtgenote en dochters van verzoekers werden verkracht. Het ging de overvallers dus niet alleen om geld. Uit verzoekers verklaringen wordt duidelijk dat de overvallers tot de plaatselijke machthebbers behoorden. Dat verzoeker niet tot een traditionele minderheid behoort is niet van belang, nu is gebleken dat de Gare-leden zich niet kunnen verweren tegen de aantasting van hun fysieke integriteit en niet kunnen worden beschermd door een dominante clan. Verzoeker heeft na maart 2003 geen problemen meer ondervonden omdat hij zich niet meer thuis ophield. Een vestigings-, verblijfs- of vluchtalternatief kan niet aan verzoeker worden tegengeworpen nu verzoekers bevolkingsgroep niet is vertegenwoordigd in de relatief veilige gebieden. Het aanmerkelijk risico dat verzoeker bij terugkeer aan honger en gebrek ten onder zal gaan dient te worden aangemerkt als een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoekers vertrek uit onveilige gebieden moet worden gezien in samenhang met TBV 2002/29. De UNHCR bevordert uitsluitend terugkeer indien personen uit de relatief veilige gebieden afkomstig zijn. Verzoeker dient in aanmerking te komen voor het traumatabeleid. Hij is niet alleen zelf ernstig mishandeld, maar was getuige van geweld tegen zijn naaste familieleden. Verzoeker verbleef slechts in Somalië zo lang als nodig was om de financiering voor de reis rond te krijgen. IV. OVERWEGINGEN 1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten wordt geschorst. 2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter, hierna de rechtbank na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoeker is tijdig op deze bevoegdheid gewezen. 3. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen. 4. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen. 5. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. 6. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. 7. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. 8. Voor zover het toerekenbaar ontbreken van documenten aan verzoeker wordt tegengeworpen en verzoeker daaromtrent een beroepsgrond heeft geformuleerd, overweegt de rechtbank dat dit buiten bespreking kan blijven nu het bestreden besluit geen overwegingen op dit punt bevat en verweerder de aannemelijkheid van eisers vluchtelingschap heeft beoordeeld. Voorts is ter zitting nog door verweerder desgevraagd medegedeeld dat van de geloofwaardigheid van verzoekers relaas is uitgegaan. 9. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de algemene, de politieke en de mensenrechtensituatie in Somalië ten tijde van het bestreden besluit niet zodanig was dat vreemdelingen afkomstig uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Het beroep op vluchtelingschap moet derhalve worden beoordeeld aan de hand van verzoeker persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden. 10. De rechtbank stelt vast dat verzoeker behoort tot de Gare-bevolkingsgroep. Deze bevolkingsgroep behoort tot de clanfamilie Digil. Het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van september 2003 inzake Somalië vermeldt over deze clanfamilie dat zij in het algemeen een maatschappelijk zwakkere positie innemen dan de nomadische clanfamilies. De rechtbank stelt voorts vast dat uit het asielrelaas van verzoeker is gebleken dat de overvallers niet alleen verzoekers geld hebben meegenomen, maar dat zijn echtgenote en twee dochters in het bijzijn van verzoeker door de overvallers werden verkracht. De rechtbank is van oordeel dat de gebeurtenissen zoals door verzoeker geschetst als een vorm van minachting en vernederend kunnen worden aangemerkt. De rechtbank acht in dat kader niet uitgesloten dat een verband bestaat tussen de handelwijze van de overvallers en verzoekers etnische afkomst. De rechtbank sluit evenmin uit dat ook de gebeurtenissen in 1994 en 1997 verband houden met verzoekers etniciteit, gelet op het onverhoedse karakter van deze gebeurtenissen. 11. Ten aanzien van leden van de Gare-bevolkingsgroep overweegt de rechtbank dat hoewel geen aanwijzingen bestaan dat ten aanzien van hen sprake is van groepsvervolging, de positie van de Gare in het door Leesan gedomineerde gebied zodanig is dat een individueel lid van deze bevolkingsgroep reeds als vluchteling moet worden aangemerkt indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte daden van vervolging, welke in verband kunnen worden gebracht met de etnische afkomst. Bij de toepassing van de hiervoor weergegeven maatstaf, blijft voor een geslaagd beroep op de a- grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 vereist dat wordt voldaan aan het ‘singled-out’ vereiste. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het asielrelaas van eiseres voldoende aanknopingspunten voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap, gelet op hetgeen hiervoor onder IV.10 is overwogen. 12. Ten aanzien van verweerders conclusie dat verzoeker, noch zijn familie, na het incident in de derde maand van 2003 problemen hebben ondervonden en de herhaalde terugkeer van verzoeker naar zijn huis geen blijk geeft van op zijn persoon gerichte negatieve aandacht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarmee heeft miskend dat verzoeker, uitgaande van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen, kostwinner was en zijn incidentele terugkeer, ondanks het feit dat hij ondergedoken was, noodzakelijk was om zijn gezin van middelen te voorzien. In het nader gehoor heeft verzoeker immers verklaard dat hij na de overval is weggegaan naar een andere plaats en dat hij zijn gezin heeft achtergelaten. Hierbij sluit ook aan verzoekers verklaring dat het grootste probleem is dat zij nu niets hebben, aldus verzoeker, omdat hij de enige man was die hen onderhield. 13. Het subsidiaire standpunt van verweerder dat verzoeker een vestigings- of vluchtalternatief heeft in de relatief veilige delen van Somalië acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank acht in dit kader van belang dat de UNHCR in haar “UNHCR Position on the Return of Rejected Asylum-seekers to Somalia” van januari 2004, dus na verschijning van de door verweerder aangehaalde ambtsberichten, uitgebreid heeft aangegeven zich te keren tegen onvrijwillige terugkeer naar Somaliland en Puntland van personen die niet uit deze gebieden afkomstig zijn en zich eveneens keert tegen het aanmerken van Somaliland en Puntland als ‘internal flight alternative’. 14. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen stellen dat verzoeker niet binnen een termijn van zes maanden na traumatiserende gebeurtenissen is vertrokken. Uit het voorgaande blijkt immers dat de directe aanleiding voor het vertrek, namelijk de overval en de verkrachting van verzoekers echtgenote en zijn twee oudste dochters, op zichzelf als een traumatiserende gebeurtenis kan worden gezien. De rechtbank is van oordeel dat de verwijzing van verweerder naar het tijdsverloop in het onderhavige geval onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat verzoeker geen geslaagd beroep kan doen op het traumatabeleid. Ingevolge hoofdstuk C1/4.4.2.1. van de vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 moet voor een geslaagd beroep op het traumatabeleid aannemelijk zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken asielzoeker uit het land van herkomst. Voor de aannemelijkheid van dit causaal verband biedt de termijn waarbinnen de betrokkene het land heeft verlaten een belangrijk aanknopingspunt. In beginsel geldt hiervoor het uitgangspunt dat de betrokkenen asielzoeker binnen zes maanden na deze gebeurtenissen het land van herkomst dient te hebben verlaten. Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat bij een later vertrek de betrokken asielzoeker zich blijkbaar heeft kunnen handhaven in het land van herkomst en daarom van hem of haar gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. De termijn van zes maanden vormt hiermee een omslagpunt in de bewijslastverdeling: bij een vertrek na zes maanden zal een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel worden geweigerd, tenzij de betrokken asielzoeker aannemelijk maakt dat er wel degelijk een verband is tussen de gebeurtenissen en het vertrek. De betrokkene zal daarvoor feiten en omstandigheden aannemelijk dienen te maken waaruit blijkt dat de betrokkenen het land van herkomst niet eerder heeft kunnen verlaten. Daarbij geldt dat naarmate de gebeurtenissen een ernstiger karakter hebben en het asielrelaas van de betrokkenen aannemelijker is, een zwaardere onderzoeksplicht rust op de behandelend ambtenaar met betrekking tot de vraag of er feiten en omstandigheden waren waardoor de betrokkenen het land van herkomst niet binnen zes maanden na het plaatsvinden van de gestelde gebeurtenis kon verlaten. 15. Zoals uit de weergave van voornoemd beleid blijkt vormt de termijn van zes maanden slechts een omslagpunt in de bewijslastverdeling. Verweerder blijft gehouden te beoordelen of verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde traumatiserende gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor zijn vertrek. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in afwachting van de financiering van zijn vlucht door een clangenoot in de Verenigde Staten op verschillende plaatsen heeft verbleven en ondertussen heeft gepoogd zijn gezin van middelen te voorzien. Door zich op het standpunt te stellen dat verzoeker geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij zich vanwege het gebeurde niet staande heeft kunnen houden heeft verweerder niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. 16. Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in gegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Op grond van het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens schending van artikel 3:46 van de Awb. Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen. 17. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van beide zaken bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand. V. BESLISSING De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 04/5080 VRONTN: 1. verklaart het beroep gegrond; 2. vernietigt het bestreden besluit; 3. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 31 januari 2004; in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 04/5082 AWB: 4. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; in beide zaken: 5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd en zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier. Gewezen door mr. J.M. Sassenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.F.M. Saive, griffier, en openbaar gemaakt op: 26 februari 2004 De griffier De voorzieningenrechter Afschrift verzonden op: 26 februari 2004 Conc.: MS Coll: Bp: - D: C Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.