Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2101

Datum uitspraak2004-06-25
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/6036 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering onder overweging dat het verzuim geen verband houdt met ziekte of gebrek.


Uitspraak

02/6036 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 15 november 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 21 februari 2000, waarbij hij heeft geweigerd aan appellante per 17 september 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat haar verzuim geen verband houdt met ziekte of gebrek wat betekent dat zij de wachttijd van 52 weken niet heeft doorgemaakt. De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 21 oktober 2002, kenmerk AWB 00/9154 WAO, het beroep van appellante tegen het besluit van 19 november 2000 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) van 8 januari 2003 aangevoerde gronden. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 27 februari 2003, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 mei 2004. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Ras, advocaat te Almere. Voor gedaagde is verschenen mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante heeft een aanvraag ingediend om een WAO-uitkering, stellende dat zij lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom ME en als gevolg daarvan niet in staat is tot het verrichten van haar werk als docente. Die aanvraag is ook in bezwaar afgewezen en tegen die afwijzing heeft zij beroep ingesteld. De door de rechtbank als deskundige ingeschakelde internist-endocrinoloog dr. A.A.M. Franken heeft - nadat de door de rechtbank op zijn instigatie als deskundige ingeschakelde internist-infectioloog dr. P.H.P. Groeneveld en klinisch psycholoog H.L. Oswald op 23 januari 2002 respectievelijk 20 mei 2002 rapport van hun bevindin-gen hadden uitgebracht en Oswald bij brief van 30 juni 2002 nog had gereageerd op een commentaar van appellante op zijn rapport - bij brief van 30 juli 2002 geconcludeerd en tussen partijen is ook niet in geschil dat (op basis van de door het Centre of Disease Control opgestelde criteria) appellante ten tijde in geding leed aan het chronisch vermoeidheidssyndroom ME zonder aanwijsbare somatische of psychogene stoornis. Daaruit is, aldus de rechtbank in de aangevallen uitspraak, geen andere conclusie te trekken dan dat gedaagde terecht heeft vastgesteld dat bij appellante geen sprake is van ziekte en/of gebrek in de zin van de WAO. Naar het oordeel van de Raad had de rechtbank niet met die conclusie mogen volstaan; hij overweegt daartoe het volgende. Het gaat hier om de toepassing van de in vaste rechtspraak aanvaarde, door gedaagde op 2 april 1997 met terugwerkende kracht per 1 maart 1997 gehanteerde en van 19 september 1996 daterende Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (Maoc). Daarmee is beoogd uitgangspunten voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling te formuleren. Die richtlijn heeft het karakter gekregen van een uitvoerige werkinstructie voor verzekeringsartsen waarin de verschillende facetten van de door een verzekerings-arts te verrichten beoordeling aan de orde komen (zie bij voorbeeld de uitspraken van de Raad van 16 augustus 2000, kenmerk 98/646 en 98/151 AAW/WAO, gepubliceerd in RSV 2000/228 en 229). Paragraaf 4.6 daarvan heeft betrekking op moeilijk objectiveer-bare aandoeningen zoals het chronisch vermoeidheidssyndroom ME/CVS. Daarin is vermeld dat het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten van de verzekerde kunnen worden aangetoond, niet betekent dat er geen stoornissen, beperkingen en handicaps kunnen bestaan. Om het bestaan van een uitzonderingsgeval als daar bedoeld te kunnen aannemen, moet zijn voldaan aan de (minimum-)eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Uit deze Maoc-richtlijn volgt dat het enkele feit dat bij de betrokkene niet een aanwijsbare somatische of psychogene stoornis (als bedoeld in de WAO) is kunnen worden gevonden, op zichzelf nog niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of de betrokkene in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. Dat enkele feit vormt het vertrekpunt voor de vervolgvraag of sprake is van een uitzonderingsgeval als in de Maoc-richtlijn bedoeld. In dat kader komt aan de orde of en alsdan in hoeverre er sprake is van beperkingen als gevolg waarvan de betrokkene - volgens de vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting van de (ingeschakelde onafhankelijke) medische deskundigen - niet of slechts ten dele in staat kan worden geacht tot het verrichten van de desbetreffende arbeid. Te oordelen naar de gedingstukken heeft de rechtbankdeskundige Franken noch de rechtbank zich die vervolgvraag gesteld, zodat de aangevallen uitspraak wegens strijd met de beginselen van zorgvuldigheid en motivering niet in stand kan worden gelaten. In het bestreden besluit is in navolging van de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans overwogen: ”noch op lichamelijk noch op psychisch gebied is er te uwen aanzien kunnen blijken van beperkingen voor het verrichten van arbeid als gevolg van ziekte/gebrek”. Blijkens het rapport van Hofmans heeft deze appellante niet zelf onderzocht, maar zijn oordeel gevormd op basis van het rapport van de primaire verzekeringsarts A.J. Hoffman van 25 januari 2000, waarover hij (Hofmans) als zijn oordeel heeft gegeven dat terecht is geconcludeerd dat er geen sprake is van arbeidsbeperkingen als gevolg van een stoornis als bedoeld in de Maoc-richtlijn. Hoffman heeft appellante wel op zijn spreekuur gehad en is na zijn onderzoek gekomen tot de eindconclusie dat er geen sprake is van ziekte of gebrek als bedoeld in de WAO. Uit het rapport van Hoffman (waarin direct noch indirect een verwijzing naar de Maoc-richtlijn voorkomt) kan evenwel niet blijken van een door hem getrokken conclusie dat er geen sprake is van beperkingen. Dit betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gebracht en voorts niet kan worden gedragen door de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd. Bijgevolg kan dat besluit evenmin in stand worden gelaten. Voorts in aanmerking genomen dat er aanleiding bestaat tot een proceskostenveroor-deling (onder aantekening dat het hier gaat om een toevoeging) en een vergoeding van griffierecht, beslist de Raad als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dit besluit; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan de griffier van de Centrale Raad van Beroep; Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde recht van in totaal € 109,23 moet vergoeden. Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2004. (get.) J. Janssen. (get.) M.H.A. Uri. MH