Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2080

Datum uitspraak2004-07-08
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2063 MAW, 02/2064 MAW enz.
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geschillen betreffende verzoeken om de dienverplichting van twaalf jaar te wijzigen in een dienverplichting van vijf, subsidiair acht jaren.


Uitspraak

02/2063 MAW, 02/2064 MAW enz. U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], en 18 anderen zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst, appellanten, en de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellanten is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Gravenhage op 25 februari 2002 onder de nummers AWB 00/7972 MAWKLU, AWB 00/8395 MAWKLU enz. gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Nadien zijn namens appellanten nog nadere stukken ingediend. Voorts heeft gedaagde de Raad desgevraagd nog nadere stukken doen toekomen. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 27 mei 2004, waar [appellant] en [appellant 2] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. N.I. van Os, werkzaam bij VBM/NOV. De overige appellanten zijn niet in persoon verschenen, maar hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. N.I. van Os. Gedaagde heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. R.H.A. Nathans, werkzaam bij het Ministerie van Defensie. II. MOTIVERING 1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten volstaat de Raad met het volgende. 1.1. Appellanten, als jachtvlieger werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht, zijn begin jaren negentig onder verantwoordelijkheid van gedaagde opgeleid tot jachtvlieger. Bij aanvang van hun opleiding zijn zij voor onbepaalde tijd aangesteld als beroeps-militair. Aan hun aanstelling is op grond van de destijds geldende Regeling aanstelling militairen Klu 1990 de verplichting verbonden om (na voltooiing van de opleiding) na de datum van ingang van eerste functievervulling nog twaalf jaar deel te blijven uitmaken van het beroepspersoneel van de Koninklijke Luchtmacht. 1.2. Bij afzonderlijk ingediende aanvragen hebben appellanten in 1999 gedaagde verzocht om hun dienverplichting van twaalf jaar te wijzigen in een dienverplichting van vijf, subsidiair acht jaren. 1.3. Op die aanvragen is afwijzend beslist en gedaagde heeft die afwijzingen, nadat daartegen door appellanten bezwaar was gemaakt, gehandhaafd op de grond dat de Beleidsregel aanstelling militairen Koninklijke Luchtmacht (hierna: de BAMKLu), welke inmiddels voor de voornoemde Regeling in de plaats was getreden, niet voorziet in de mogelijkheid om de dienverplichting te bekorten en door appellanten geen nieuwe feiten of bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die nopen van de BAMKLu af te wijken. Naar aanleiding van het argument van appellanten dat een kortere dienverplichting dan twaalf jaar is opgelegd aan collega’s voor wie op grond van de regelgeving eveneens een dienverplichting van twaalf jaar gold, heeft gedaagde overwogen dat dit abusievelijk is gebeurd. 1.4. Bij de aangevallen uitspraak zijn de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. 2.1. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voeren appellanten aan, dat het beleid van gedaagde ten tijde van hun aanstellingen inhield dat jachtvliegers alleen voor onbepaalde tijd werden aangesteld, met een dienverplichting van twaalf jaar. Kort daarna is gedaagde echter in afwijking van dit beleid toch overgegaan tot het aanstellen van jachtvliegers met aanstellingen voor bepaalde tijd aan welke aanstellingen een dienver-plichting van acht jaar was verbonden. Daarnaast zijn in de laatstbedoelde periode jachtvliegers voor onbepaalde tijd aangesteld met een dienverplichting van acht en zes jaar. Tevens is ten aanzien van enkele jachtvliegers de twaalfjarige dienverplichting naderhand gewijzigd in een van kortere duur. Appellanten concluderen dat gedaagde een inconsequent beleid heeft gevoerd. Zij stellen zich op het standpunt dat zij aldus ongelijk worden behandeld. 2.2. Gedaagde heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 3. De Raad overweegt het volgende. 3.1. Alle aanvragen van appellanten uit 1999 dragen, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het karakter van een verzoek om terug te komen van in rechte onaantastbaar geworden besluiten aangaande hun dienverplichting. De toetsing van deze besluiten beperkt zich tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of gedaagde daarin aanleiding had moeten vinden om de oorspronkelijke besluiten te herzien. 3.2. Reeds ter ondersteuning van hun aanvragen hebben appellanten aangevoerd dat gedaagde nadat de dienverplichting aan hen was opgelegd, op dit punt niet consequent heeft vastgehouden aan zijn ingevolge de toepasselijke regelgeving gevoerde beleid inzake de dienverplichting omdat in afwijking hiervan een aantal door appellanten vermelde militairen een korter durende dienverplichting opgelegd heeft gekregen. Gedaagde heeft dit erkend. De Raad volgt appellanten hierin en oordeelt dat die constatering van appellanten betrekking heeft op een nieuw gebleken feit in vorenbedoelde zin. De wijziging van dat beleid die met ingang van 1 juli 1999 tot stand is gekomen, kan met betrekking tot de verplichting die appellanten bij hun aanstellings-besluiten is opgelegd, niet gelden als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. 3.3. Bij de beantwoording van de vraag of gedaagde in de afwijkende uitvoering van zijn inzake appellanten gevoerde beleid thans aanleiding had moeten vinden de duur van de aan appellanten opgelegde dienverplichting te herzien neemt de Raad het volgende in aanmerking. Namens gedaagde is erkend dat in de door appellanten genoemde zeventien gevallen ten onrechte een te korte dienverplichting is opgelegd. Gedaagde heeft daarbij verklaard dat het in al die gevallen om fouten gaat, maar dat ten aanzien van de overige in bedoelde periode voor onbepaalde tijd aangestelde 100 á 120 jachtvliegers net als bij appellanten overeenkomstig de geldende regels is besloten. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. De Raad is van oordeel dat, nu niet aannemelijk is geworden dat gedaagde in de genoemde gevallen doelbewust is afgeweken van het geldende beleid met betrekking tot de duur van de dienverplichting, het aantal gemaakte fouten niet zodanig is dat geoordeeld moet worden dat ten aanzien van appellanten in strijd is gehandeld met het verbod van willekeur of met het gelijkheidsbeginsel. 3.4. Reeds op deze grond oordeelt de Raad dat de bestreden besluiten houdbaar zijn. De aangevallen uitspraak komt derhalve, zij het met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking. 4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2004. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.J.W. Loots. HD 05.07