
Jurisprudentie
AQ2065
Datum uitspraak2004-06-25
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1807 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1807 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering.
Uitspraak
02/1807 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 6 juli 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 augustus 1998, waarbij de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 30 september 1998 werd ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeids-ongeschiktheid van appellante per deze datum minder dan 15% bedraagt.
Bij uitspraak van 7 maart 2002, nr. AWB 2001/1128 WAO Z, heeft de rechtbank Maastricht het door appellante tegen het besluit van 6 juli 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, op bij aanvullend beroepschrift van 24 april 2002 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 21 mei 2002, ingediend.
Bij schrijven van 29 april 2004 (met bijlagen) heeft gedaagde nadere stukken in het geding gebracht.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op
14 mei 2004, waar partijen – met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante heeft zich op 30 september 1996 ziek gemeld voor de door haar sinds
10 september 1996 verrichte werkzaamheden als fruitplukster wegens rechterbeen-, rechterknie- en rugklachten.
Nadat gedaagde aanvankelijk had geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen respectievelijk de toegekende uitkering ingevolge de ZW met ingang van 1 november 1996 had beëindigd, heeft gedaagde uiteindelijk aan appellante tot 29 september 1997 een ziektewetuitkering verstrekt. In het kader van appellantes aanvraag om een uitkering ingevolge de WAO heeft de verzekeringsarts
J.P.J. Gielen in juli 1998 de beperkingen bij het verrichten van arbeid voor appellante vastgesteld en geconcludeerd dat deze beperkingen zowel per einde wachttijd gelden als per juli 1998. Aan de hand van het door de verzekeringsarts ten aanzien van appellante opgestelde belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige W.H.M. Zuurveld functies geselecteerd die naar zijn mening geschikt voor appellante waren en die hem via een theoretische schatting tot het inzicht brachten dat appellante geen (relevant) verlies aan verdienvermogen heeft. Vervolgens is bij besluit van 30 juli 1998 aan appellante per einde wachttijd (onder meer) een uitkering ingevolge de WAO toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en is die uitkering bij het in rubriek I genoemde besluit van 3 augustus 1998 ingetrokken, welk besluit gedaagde bij het bestreden besluit van 6 juli 2000 heeft gehandhaafd.
In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - doen aanvoeren dat de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd en daarmee onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Met betrekking tot de in de geduide functies voorkomende asterisken, ten teken dat de belasting in die functies de belastbaarheid van appellante mogelijk overschrijdt, heeft appellante gesteld dat gedaagde onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die functies toch voor haar geschikt worden geacht. Tenslotte is appellante van mening dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar stelling dat bij het bepalen van de resterende verdiencapaciteit een reductiefactor had moeten worden toegepast.
De Raad is van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit met voldoende zorgvuldigheid is voorbereid. De verzekeringsarts Gielen heeft appellante niet zelf onderzocht, maar verwezen naar een rapportage van de verzekeringsgeneeskundige L.T.P. van Rossum d.d. 26 november 1997, welke rapportage is opgesteld in het kader van het door appellante gemaakte bezwaar tegen de intrekking van de uitkering ingevolge de ZW en waarin werd geconcludeerd dat appellante is aangewezen op minder zwaar rugbelastende werkzaamheden. Gielen heeft aan de hand van deze conclusie een belast-baarheidspatroon opgesteld en dat met appellante besproken.
De Raad acht deze gang van zaken in het onderhavige geval niet onzorgvuldig, nu het oordeel van Van Rossum tot stand is gekomen na lichamelijk onderzoek en met inacht-neming van schriftelijke informatie van appellantes huisarts, terwijl appellante bij Gielen heeft aangegeven dezelfde klachten te hebben als verwoord in de rapportage van
26 november 1997 en appellante zich - blijkens de rapportage van Gielen - volledig kon vinden in deze gang van zaken. Bovendien is appellante door de bezwaarverzekeringsarts H.A. van der Most wel weer lichamelijk onderzocht, zo blijkt uit haar rapportage van
3 juli 1999. Van der Most concludeerde dat haar vaststellingen overeenkomen met die uit het eerdere onderzoek van appellante in november 1997, maar was van mening dat de daaruit voortvloeiende beperkingen van appellante op twee aspecten onvoldoende in de door Gielen opgestelde FIS-gegevenscodering tot uiting komen en heeft de belastbaar-heid van appellante op die punten aangescherpt.
De Raad overweegt voorts dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de aldus vast-gestelde beperkingen van appellante. Appellante heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep medische stukken in het geding gebracht die dergelijke twijfel kunnen doen ontstaan.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat gedaagde met de rapportage van
18 mei 2000 van de bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes voldoende heeft gemotiveerd dat appellante in staat moet worden geacht de werkzaamheden in de geduide functies, ondanks de erin voorkomende asterisken, te verrichten. Naar aanleiding van hetgeen appellante hierover in hoger beroep heeft gesteld, overweegt de Raad dat in laatstgenoemde rapportage het resultaat is vastgelegd van het overleg tussen (bezwaar)verzekeringsarts en (bezwaar)arbeidsdeskundige over de geschiktheid in medisch opzicht van de geduide functies en dat hij geen enkele aanleiding ziet te betwijfelen of dit overleg wel heeft plaatsgevonden.
Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat aan appellante terecht part-time functies zijn voorgehouden, nu zij in haar maatmanarbeid ook part-time werkte. Het door appellante gewenste toepassen van de reductiefactor is niet aan de orde nu, zoals gedaagde in het verweerschrift in hoger beroep terecht heeft opgemerkt, het toepassen van de reductiefactor is geregeld in het met ingang van 1 april 1999 in werking getreden Besluit uurloonschatting 1999 en de onderhavige datum in geding (alsmede de schriftelijke aanzegging van de mate van arbeidsonge-schiktheid) vóór die datum is gelegen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en
mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.
MH