Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ2035

Datum uitspraak2004-07-13
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1609 NABW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde bijstand. Strijd met de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie van de Raad in terugvorderingszaken.


Uitspraak

02/1609 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr. N. van der Kruk, advocaat te Hoorn, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 15 januari 2002 gewezen uitspraak reg.nr. 00/1874 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 1 juni 2004, waar appellante en gedaagde - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten en regelgeving verwijst de Raad naar de daarop betrekking hebbende overwegingen in de rubrieken 3 en 5 van de aangevallen uitspraak. Bij besluit van 25 november 2000 heeft gedaagde het primaire besluit van 28 april 1999 herroepen, het besluit tot toekenning van bijstand over de periode 1 juni 1998 tot en met 1 maart 1999 op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) herzien en het als gevolg van de herziening te veel betaalde bedrag aan bijstand ad f 1.984,73 op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw teruggevorderd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 november 2000 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. Daarbij heeft zij zich – evenals in het beroep bij de rechtbank - op het standpunt gesteld dat de terugvordering in strijd is met de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie van de Raad in terugvorderingszaken. Uit eerdere uitspraken van de Raad (zie bijv. de uitspraak in de zaak met registratie-nummers 00/3073 NABW en 02/5140 NABW, waarin een kantoorgenoot van appellantes gemachtigde namens een der partijen is opgetreden) blijkt dat de zesmaanden-jurisprudentie betrekking op wettelijke bepalingen waarin, anders dan in artikel 81 van de Abw, sprake is van een bevoegdheid van het bestuursorgaan om de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. De in het onderhavige geval van toepassing zijnde bepaling uit de Abw legt het bestuursorgaan daarentegen de verplichting op om tot terugvordering te besluiten. Het hoger beroep van appellante treft dus geen doel, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten. Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2004. (get.) Th.C. van Sloten. (get.) R.L. Rijnen. BvW/176