
Jurisprudentie
AQ1960
Datum uitspraak2004-07-13
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1328 NABW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1328 NABW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking bijstandsuitkering op de grond dat betrokkene werkzaam is geweest als zelfstandige. Terugvordering onverschuldigd betaalde bijstand.
Uitspraak
02/1328 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellanten], beiden wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wieringermeer.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. P. Heijnen, advocaat te Hoorn, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 17 januari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. NABW 00/1355, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Heijnen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J.L. Rasker, werkzaam bij de gemeente Wieringermeer.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten ontvingen vanaf 8 februari 1988 een bijstandsuitkering, aanvankelijk ingevolge de op de Algemene Bijstandswet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) en sedert 1 maart 1996 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.
Naar aanleiding van het bij gedaagde gerezen vermoeden dat appellant werkzaam is in het bedrijf van zijn zoon [zoon], een bedrijf dat handelt in tractoren en tractoronderdelen (hierna: handelsbedrijf), heeft het Regionaal bureau sociale recherche te Schagerbrug een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende uitkering. In dat kader zijn onder meer observaties gedaan, zijn appellant en zijn zoon gehoord, is dossieronderzoek verricht en zijn inlichtingen ingewonnen bij enkele instanties, waaronder de Kamer van Koophandel (KvK).
Op grond van de resultaten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 9 december 1999, heeft gedaagde bij besluit van 25 januari 2000 besloten de uitkering van appellanten over de periode van 23 september 1994 tot 1 juli 1999 in te trekken op de grond dat appellant sedert eerstgenoemde datum werkzaam is geweest als zelfstandige, waarvan hij aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan. Tevens is besloten tot terugvordering van de kosten van de over de periode van 25 januari 1995 tot 1 juli 1999 aan appellanten betaalde bijstand tot een bedrag van f 131.523,61.
Bij besluit van 24 juli 2000 heeft gedaagde het tegen het besluit van 25 januari 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 24 juli 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de werkzaamheden van appellant in het handelsbedrijf van zijn zoon reguliere werkzaamheden zijn met een waarde in het economisch verkeer.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Van de zijde van appellanten is aangevoerd dat de werkzaamheden van appellant in het eenmansbedrijf van zijn zoon moeten worden beschouwd als het verrichten van hand- en spandiensten die in een familieverhouding normaal zijn en als het uitoefenen van een hobby.
De Raad volgt appellanten daarin niet. De bevindingen van het hiervoor vermelde onderzoek bieden voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant werkzaamheden verrichtte in een mate die de grenzen van hetgeen als hulp in de familiesfeer of als hobby kan worden beschouwd te buiten gaan. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat deze werkzaamheden een economische waarde vertegenwoordigden, zodat zij - met andere woorden - op geld kunnen worden gewaardeerd. Bij dit oordeel is in de eerste plaats in aanmerking genomen dat appellant in het in geding zijnde tijdvak stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK als waarnemend hoofd - met volledige volmacht - van het handelsbedrijf. Voorts heeft appellant tegenover de betrokken sociaal-rechercheurs verklaard dat hij sinds 1994 ongeveer 15 tot 20 uren per week in dat handelsbedrijf aanwezig is, dat hij daar hand- en spandiensten verricht, de telefoon wel eens aanneemt en soms onderdelen naar klanten brengt. Verder acht de Raad in dit verband van belang de zich bij de gedingstukken bevindende gegevens over de hoogte van de omzet en de financiële positie van het handelsbedrijf in de in geding zijnde jaren, waaruit blijkt dat omzetten zijn geboekt van tussen ongeveer f 220.000,-- en f 260.000,-- per jaar, zodat sprake is van een substantiële omzet van het eenmansbedrijf van de zoon van appellanten. Deze gegevens rechtvaardigen de conclusie dat appellant aan de resultaten van het handelsbedrijf heeft bijgedragen, waarbij moet worden bedacht dat de zoon van appellanten - zo blijkt uit de verklaringen van appellant en zijn zoon - zich goeddeels richtte op het door hem geëxploiteerde horecabedrijf en er overigens bij het handelsbedrijf geen personeel in dienst was. Ten slotte betrekt de Raad hierbij dat appellant sedert 19 oktober 1998 een auto van het merk Chrysler gebruikte, welke auto volgens de verklaring van de zoon van appellanten destijds een bedrijfsauto was.
Anders dan gedaagde is de Raad evenwel van oordeel dat appellant in de uitoefening van deze werkzaamheden niet kon worden aangemerkt als zelfstandige.
In de periode tot 1 januari 1996 ontvingen appellanten een RWW-uitkering. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de RWW wordt onder werkloze werknemer verstaan de persoon van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking en aan wie voorwaarden worden gesteld welke strekken tot inschakeling in de arbeid in een dienstbetrekking van ten minste de helft van de geldende volledige arbeidstijd per week. Niet is komen vast te staan dat appellant in die periode in een zodanige mate - meer dan in een bescheiden omvang - als zelfstandige werkzaam is geweest dat hij niet meer behoorde tot de personenkring van de RWW.
Het begrip zelfstandige is vanaf 1 januari 1996 omschreven in artikel 5 van de Abw. Aan die omschrijving voldoet de positie van appellant vanaf die datum niet, aangezien niet wordt voldaan aan het in die bepaling neergelegde urencriterium en bovendien niet is komen vast te staan dat appellant (mede) de financiële risico’s droeg van de uitoefening van het handelsbedrijf van zijn zoon.
Het besluit van 24 juli 2000 berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering en komt in zoverre, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarin dit niet is onderkend.
De vervolgens aan de orde zijnde vraag, of de rechtsgevolgen van het te vernietingen gedeelte van het besluit van 24 juli 2000 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten, beantwoordt de Raad bevestigend. In aanvulling op hetgeen hiervoor is overwogen over de werkzaamheden van appellant, overweegt de Raad daartoe het volgende.
Appellanten hebben noch van de door appellant verrichte werkzaamheden, noch van diens inschrijving in het handelsregister van de KvK of van het bezit van de eerder-genoemde auto mededeling gedaan aan gedaagde. Daarmee hebben zij de ingevolge artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenplicht geschonden.
Als gevolg daarvan kan voor de gehele in geding zijnde periode niet worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellanten verkeerden in bijstandsbehoevende omstandig-heden in de zin van achtereenvolgens artikel 1, eerste lid, van de ABW en artikel 7 van de Abw. Met name heeft het op de weg van appellanten gelegen om gedaagde aan de hand van de boekhouding en de financiële jaarstukken van het handelsbedrijf inzicht te geven in de herkomst van de omzetten en van het aandeel dat appellant en zijn zoon ieder in het maken van die omzetten hebben gehad. In bezwaar en (hoger) beroep hebben appellanten noch het een noch het ander inzichtelijk gemaakt. De enkele stelling van appellanten dat de omzetten vooral werden behaald door de makelaarsactiviteiten van de zoon van appellanten voor het handelsbedrijf, acht de Raad in dat opzicht onvoldoende, nu deze op geen enkele wijze nader is toegelicht en met bewijsstukken is onderbouwd.
Appellanten hebben zich nog beroepen op het gegeven dat de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Alkmaar hen bij afzonderlijke vonnissen van 1 februari 2001 heeft vrijgesproken van de hun ten laste gelegde valsheid in geschrifte betreffende de door hen ingevulde periodieke rechtmatigheids- en onderzoeksformulieren van de sociale dienst.
Aan dat oordeel komt evenwel niet de betekenis toe die appellanten daaraan gehecht willen zien. Zoals de Raad meermalen heeft overwogen, gaat de bestuursrechter uit van een eigen vaststelling en waardering van de betreffende feiten en omstandigheden en is hij daarbij niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. Daarbij moet worden bedacht dat het in het onderhavige geding gaat om schending van de inlichtingenplicht. Die normschending moet uitdrukkelijk worden onderscheiden van hetgeen in de strafzaken van appellanten aan de orde was, te weten het opzettelijk valselijk invullen van formulieren teneinde deze als echt te doen gebruiken.
De hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenplicht heeft er toe geleid dat aan appellanten in de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verstrekt. Gedaagde is dan ook terecht tot intrekking van het recht van appellanten op uitkering overgegaan. Vanaf 1 juli 1997 was gedaagde daartoe op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw bovendien gehouden. Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de uitkering over de periode van 25 januari 1995 tot 1 juli 1999, op basis van achtereenvolgens artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW (tot 1 januari 1996) en artikel 81, eerste lid (tekst tot en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. De Raad ziet geen dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW of artikel 78, derde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
De Raad ziet - ten slotte - in de (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 24 juli 2000 voorzover het betreft de intrekking van het recht op bijstand;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Wieringermeer;
Bepaalt dat de gemeente Wieringermeer aan appellanten het betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, als voorzitter, en mr. C. van Viegen en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2004.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) S.W.H. Peeters.
EK0607