
Jurisprudentie
AQ1957
Datum uitspraak2004-06-04
Datum gepubliceerd2004-08-13
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/47618
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-08-13
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/47618
Statusgepubliceerd
Indicatie
Leges / buitenbehandelingstelling / vertrouwensbeginsel.
Artikel 24, tweede lid, Vw 2000 bepaalt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen indien de leges niet zijn betaald. Voorzover eiseres heeft bedoeld te betogen dat artikel 24, tweede lid, Vw 2000 onverbindend dient te worden verklaard wegens strijd met artikel 4:5, vierde lid, Awb, is de rechtbank van oordeel dat, nu de Awb geen hogere rangorde heeft dan andere wetten in formele zin, reeds daarom van artikel 24, tweede lid, Vw 2000 niet zonder meer kan worden gezegd dat zij onverbindend is wegens strijd met de Awb. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken op grond waarvan aan artikel 24, tweede lid, Vw 2000 verbindende kracht moet worden ontzegd. Uit de stelling dat in artikel 24, tweede lid, Vw 2000 niet is neergelegd dat dit wettelijk voorschrift tot stand is gekomen in afwijking van artikel 4:5, vierde lid, Awb, volgt niet dat eerstgenoemde bepaling om die reden niet verbindend kan zijn. Dat het uit het oogpunt van wetgevingstechniek voor de hand had gelegen om in de tekst van dan wel toelichting bij artikel 24, tweede lid, Vw 2000 tot uitdrukking te brengen dat werd afgeweken van artikel 4:5, vierde lid, Awb doet daaraan niet af. Uit de toelichting bij artikel 24, tweede lid, Vw 2000 blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat het gebruik van de bevoegdheid om de aanvraag niet in behandeling te nemen indien de leges niet zijn betaald, dwingend is voorgeschreven en derhalve zonder beperkt te worden door de in het vierde lid van artikel 4:5 Awb genoemde termijn. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, aangezien eiseres er overeenkomstig hoofdstuk B1/4.2.1 Vc 2000 op mocht vertrouwen dat haar aanvraag na ommekomst van vier weken na de aan haar verleende herstelverzuimtermijn alsnog in behandeling zou worden genomen. Beroep gegrond.
Uitspraak
Rechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 03/47618 BEPTDN
inzake: A, geboren op [...] 1998, van Marokkaanse nationaliteit, wonende te B, eiseres,
gemachtigde: mr. E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam,
tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat, advocaat te 's-Gravenhage.
I. PROCESVERLOOP
1. Op 13 mei 2002 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend tot verlenging van de aan haar verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf bij ouders”. Bij besluit van 23 augustus 2002 - bekendgemaakt op 26 augustus 2002 - heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld wegens het niet betalen van leges. Bij bezwaarschrift van 20 september 2002 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 6 augustus 2003 ongegrond verklaard.
2. Bij beroepschrift van 3 september 2003 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 22 september 2003 en aangevuld bij brieven van 8 januari 2004 en 17 februari 2004. Op 26 januari 2004 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 5 maart 2004 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2004. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren de vader van eiseres en J. Bourik, tolk in de Arabische taal, ter zitting aanwezig.
II. FEITEN
1. Eiseres is bij besluit van 7 augustus 2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder beperking “verblijf bij ouders”, geldig tot 7 augustus 2002.
2. Eiseres is bij brief van 6 juni 2002 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken de leges te betalen. Nadat was gebleken dat zij van die gelegenheid geen gebruik had gemaakt, is eiseres bij brief van 11 juli 2002 een herstelverzuimtermijn van twee weken gesteld. Bij besluit van 23 augustus 2002 - verzonden op 26 augustus 2002 - heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Op 24 september 2002 heeft eiseres alsnog de verschuldigde legeskosten voldaan.
III. STANDPUNTEN PARTIJEN
1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat de aanvraag van eiseres om verlenging van de aan haar verleende verblijfsvergunning op goede gronden buiten behandeling is gesteld. Artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 bepaalt dwingend dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen indien de leges niet zijn betaald. Dit geldt ook als niet binnen vier weken na afloop van de herstelverzuimtermijn wordt beslist. Artikel 24 van de Vw 2000 is een bijzondere regeling, waarmee de wetgever heeft beoogd af te wijken van artikel 4:5 van de Awb. Concreet heeft dit tot gevolg dat indien de leges niet worden betaald de aanvraag niet in behandeling wordt genomen of, indien de leges voor de afgifte van het document niet worden betaald, het document niet zal worden afgegeven. Met het voorgaande valt niet te rijmen dat op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb na ommekomst van vier weken alsnog de verplichting zou ontstaan om inhoudelijk te beslissen. Gelet op het systeem van de Vw 2000 (de samenhang tussen de afwijzingsgronden in de artikelen 16, 18 en 21 en het bepaalde in artikel 24, tweede lid) is afwijzing op grond van de omstandigheid dat de leges niet zijn betaald, niet mogelijk.
2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de aanvraag om verlenging van de aan haar verleende verblijfsvergunning buiten behandeling heeft gesteld. Verweerder heeft nagelaten om op de voet van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb, binnen vier weken na het ongebruikt verstrijken van de herstelverzuimtermijn de aanvraag buiten behandeling te stellen. Deze handelswijze is in strijd met het bepaalde in paragraaf B1/4.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), waarin is opgenomen dat indien tot buitenbehandelingstelling wordt besloten, de aanvrager daarvan binnen vier weken na ommekomst van de gegunde termijn in kennis wordt gesteld. Na ommekomst van vier weken dient de aanvraag dus alsnog in behandeling te worden genomen. Het bedoelde, niet herstelde, gebrek wordt dan een afwijzingsgrond. Hoewel de minister de tekst van voornoemde paragraaf uit de Vc 2000 met het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2003/35 van 11 augustus 2003 heeft willen wijzigen, zou het in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel dat de aanvraag van eiseres, die van ver vóór dit TBV dateert, op grond van deze nieuwe werkwijze niet in behandeling is genomen. Voorts is van belang dat, indien de vreemdelingenwetgever heeft beoogd met artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 af te wijken van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb, dat niet is gebeurd overeenkomstig de voorschriften van de Awb-wetgever. Afwijking van de Awb bij formele wet dient steeds uitdrukkelijk te geschieden door in de bijzondere wettelijke regel te vermelden: ’In afwijking van artikel (..) van de Awb (..)’. Nu dit blijkens de tekst van artikel 24 van de Vw 2000 niet is gebeurd, dient het tweede lid van voornoemd artikel buiten toepassing te blijven. In dit verband is tevens verwezen naar twee uitspraken, één van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 8 oktober 2003 (AWB 03/51590) en één van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 12 december 2003 (AWB 03/40395).
Ten slotte waren de op 24 september 2002 betaalde leges ten tijde van het bestreden besluit nog niet teruggestort op de rekening van eiseres. Hierdoor is het vertrouwen opgewekt dat de leges alsnog zijn geaccepteerd en dat de aanvraag alsnog in behandeling zou worden genomen.
3. In het verweerschrift heeft verweerder nog aangevoerd dat met TBV 2003/35 geen wijziging van het bestaande beleid is beoogd. TBV 2003/35 is bedoeld ter verduidelijking van reeds bestaand beleid. In dit TBV wordt het dwingende karakter van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 benadrukt. De stelling van eiseres dat, gelet op het feit dat haar aanvraag dateert van vóór TBV 2003/35, zij erop kon vertrouwen dat haar aanvraag alsnog in behandeling zou worden genomen nadat deze niet binnen vier weken buiten behandeling was gesteld, treft derhalve geen doel.
4. Ter zitting heeft verweerder het subsidiaire standpunt ingenomen dat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen reeds omdat honorering van dit beroep tot gevolg zou hebben dat verweerder wordt gedwongen contra legem te handelen.
IV. OVERWEGINGEN
1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.
2. In artikel 4:5 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan - onder meer - enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag aan te vullen binnen een daartoe door het bestuursorgaan gestelde termijn. Ingevolge het vierde lid wordt een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekend gemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
3. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 is - voor zover hier van belang - de vreemdeling in de door Onze Minister te bepalen gevallen en volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven.
4. In paragraaf B1/4.2.1 van de Vc 2000 - zoals dat gold ten tijde van onderhavige aanvraag - is bepaald dat indien niet wordt voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag - bijvoorbeeld omdat de leges niet zijn voldaan, de aanvraag niet is ondertekend of niet de nodige gegevens bevat - de aanvrager een redelijke termijn wordt gegeven om dat verzuim te herstellen. De redelijke termijn is niet bedoeld om de vreemdeling de gelegenheid te bieden alsnog aan bepaalde inhoudelijke voorwaarden te gaan voldoen. In het algemeen is een termijn van twee weken redelijk. (..) Indien het gebrek niet wordt hersteld, kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten (artikel 4:5 van de Awb). Indien hiertoe wordt besloten, dient de aanvrager binnen vier weken na ommekomst van de gegunde termijn dan wel nadat de aanvrager heeft gereageerd, hiervan bij beschikking in kennis te worden gesteld. Na ommekomst van de hiergenoemde termijn van vier weken dient de aanvraag in behandeling te worden genomen. Het bedoelde, niet herstelde, gebrek wordt dan een afwijzingsgrond.
5. In TBV 2003/35 - van kracht geworden op 11 augustus 2003 en thans neergelegd in paragraaf B1/4.2.1 van de Vc 2000 - is bepaald dat indien de leges zijn voldaan, maar een ander gebrek niet wordt hersteld, de aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten (artikel 4:5 van de Awb). Indien hiertoe wordt besloten dient de aanvrager hiervan bij beschikking in kennis te worden gesteld binnen vier weken na ommekomst van de gegunde termijn, dan wel nadat de aanvrager heeft gereageerd. Na ommekomst van de hier genoemde termijn van vier weken dient de aanvraag in behandeling te worden genomen. Het bedoelde, niet herstelde, gebrek wordt dan een afwijzingsgrond omdat niet is aangetoond dat aan de voorwaarden voor verlening, verlenging of wijziging is voldaan.
Indien evenwel de leges niet zijn voldaan binnen de daartoe gegeven termijn, de gegeven termijn voor herstel inbegrepen, wordt op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 de aanvraag niet in behandeling genomen, dan wel wordt het document niet afgegeven. Artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 schrijft dwingend voor om van de bij artikel 4:5 van de Awb gegeven bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te laten, gebruik te maken. De op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 gegeven bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te laten, wordt gezien het dwingende karakter van deze bepaling en vanwege het ontbreken van een afwijzingsgrond in de Vreemdelingenwet wegens het niet voldoen aan leges, niet beperkt door de in artikel 4:5 van de Awb genoemde termijn.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Voor zover eiseres heeft bedoeld te betogen dat artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 onverbindend dient te worden verklaard wegens strijd met artikel 4:5, vierde lid, van de Awb, is de rechtbank van oordeel dat nu de Awb geen hogere rangorde heeft dan andere wetten in formele zin, zoals de Vw 2000, reeds daarom van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 niet zonder meer kan worden gezegd dat zij onverbindend is wegens strijd met de Awb. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken op grond waarvan aan artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 verbindende kracht moet worden ontzegd. Uit de stelling van eiseres dat in artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 niet is neergelegd dat dit wettelijk voorschrift tot stand is gekomen in afwijking van het bepaalde in artikel 4:5, vierde lid, van de Awb, kan niet volgen dat eerstgenoemde bepaling om die reden niet verbindend kan zijn. Dat het uit het oogpunt van wetgevingstechniek voor de hand had gelegen om in de tekst van - dan wel toelichting bij - artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 tot uitdrukking te brengen dat werd afgeweken van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb doet aan het voorgaande niet af. Uit de toelichting bij artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 (Kamerstukken II 1998/1999, 26732, nr. 3) blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat het gebruik van de bevoegdheid om de aanvraag niet in behandeling te nemen indien de leges niet zijn betaald, dwingend is voorgeschreven en derhalve zonder beperkt te worden door de in het vierde lid van artikel 4:5 van de Awb genoemde termijn.
8. De rechtbank is evenwel met eiseres van oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en overweegt daartoe als volgt. Door de aanvraag van eiseres na ommekomst van vier weken alsnog buiten behandeling te stellen heeft verweerder gehandeld in strijd met het bepaalde in paragraaf B1/4.2.1 van de Vc 2000 zoals dat gold ten tijde van de onderhavige aanvraag. Anders dan verweerder stelt, is de rechtbank van oordeel dat uit dit (oude) beleid volgt dat (ook) indien de leges niet zijn betaald de aanvrager binnen vier weken in kennis dient te worden gesteld van de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag en dat na ommekomst van vier weken de aanvraag alsnog in behandeling dient te worden genomen, waarbij het niet herstelde gebrek dan een afwijzingsgrond wordt. TBV 2003/35 moet dan ook veeleer worden beschouwd als een wijziging van het beleid - dat daardoor in overeenstemming is gebracht met de bedoeling van artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 - en niet enkel als een verduidelijking van de tekst van voornoemde paragraaf van de Vc 2000. Derhalve mocht eiseres er op vertrouwen dat haar aanvraag na ommekomst van vier weken na de aan haar verleende herstelverzuimtermijn, overeenkomstig het bepaalde in het (oude) beleid, alsnog in behandeling zou worden genomen.
9. Het betoog van verweerder dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen omdat honorering van dit beroep tot gevolg zou hebben dat verweerder wordt gedwongen contra legem te handelen, wordt door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank acht in dit verband van doorslaggevende betekenis dat verweerder er jarenlang geen bezwaar in heeft gezien beleid te voeren dat zich niet met de tekst van de wet liet rijmen. Tevens houdt de rechtbank er rekening mee dat geen belangen van derden in het geding zijn, en verweerder op geen enkele wijze heeft aangegeven hoe alsnog op een andere wijze compensatie aan eiseres zou kunnen worden geboden voor de schending van het jegens haar opgewekte vertrouwen.
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens schending van artikel 7:12 van de Awb.
11. Uit voorgaande overwegingen volgt dat al hetgeen overigens over en weer door partijen is aangevoerd geen bespreking meer behoeft.
12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).
13. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de recht-bank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver-goeding van het door eiseres betaalde griffierecht.
V. BESLISSING
De rechtbank
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het bestreden besluit;
3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van tien weken;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;
5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 116,-- (zegge: honderdzestien euro).
Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Kolk, griffier, en openbaar gemaakt op 4 juni 2004
De griffier De voorzitter
Afschrift verzonden op: 4 juni 2004
Conc: MK
Coll:
Bp: -
D: B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.