Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1955

Datum uitspraak2004-06-29
Datum gepubliceerd2004-07-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/900259-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

[...] Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft bij een willekeurige woning aangebeld en aan degene die de deur opende gevraagd of hij mocht telefoneren. Vervolgens heeft verdachte een vuurwapen tegen het hoofd van die persoon gezet om hem zo te dwingen tot afgifte van een geldbedrag. Door doortastend handelen van het slachtoffer heeft verdachte zijn voorgenomen misdrijf niet kunnen voltooien. Verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer veel schrik bezorgd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen oog heeft gehad voor het feit dat hij het slachtoffer door zijn handelwijze psychische schade kan toebrengen. Voorts veroorzaakt een dergelijk feit gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte het feit heeft gepleegd in een periode dat hij in geestelijke nood verkeerde door diverse zakelijke en privé-problemen en dat dit een wanhoopsdaad was. Verdachte had echter kunnen en moeten kiezen voor andere mogelijkheden om aandacht te krijgen voor zijn problematiek. [...]


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER (VERKORT VONNIS) parketnummer 09/900259-04 rolnummer 0004 's-Gravenhage, 29 juni 2004 De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], zonder bekende woon of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Rijnmond", Huis van Bewaring Noordsingel te Rotterdam. De terechtzitting. Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 juni 2004. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr J.P. van Rossum, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. De officier van justitie mr Wijne heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij ter terechtzitting gewijzigde dagvaarding telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. De telastlegging. Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1. De bewijsmiddelen. P.M. De bewezenverklaring. Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden. Strafmotivering. Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft bij een willekeurige woning aangebeld en aan degene die de deur opende gevraagd of hij mocht telefoneren. Vervolgens heeft verdachte een vuurwapen tegen het hoofd van die persoon gezet om hem zo te dwingen tot afgifte van een geldbedrag. Door doortastend handelen van het slachtoffer heeft verdachte zijn voorgenomen misdrijf niet kunnen voltooien. Verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer veel schrik bezorgd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen oog heeft gehad voor het feit dat hij het slachtoffer door zijn handelwijze psychische schade kan toebrengen. Voorts veroorzaakt een dergelijk feit gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte het feit heeft gepleegd in een periode dat hij in geestelijke nood verkeerde door diverse zakelijke en privé-problemen en dat dit een wanhoopsdaad was. Verdachte had echter kunnen en moeten kiezen voor andere mogelijkheden om aandacht te krijgen voor zijn problematiek. Uit een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat verdachte geen relevant justitieel verleden heeft. In het voordeel van verdachte spreekt dat hij direct na het feit de ernst van zijn daad heeft ingezien en zichzelf heeft aangegeven bij een politiebureau. De rechtbank heeft acht geslagen op een voorlichtingsrapport van het Leger des Heils te Rotterdam d.d. 15 april 2004. Uit dit rapport blijkt dat het merendeel van de probleemgebieden van verdachte samenhangt met het ontbreken van een vast inkomen. Reclasseringscontact is geïndiceerd om verdachte de benodigde begeleiding te bieden bij het op de rails zetten van zijn leven. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijk strafdeel in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact. De rechtbank neemt dit advies over. De toepasselijke wetsartikelen. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 317 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing. De rechtbank, verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: poging tot afpersing; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden; bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 5 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarde: - dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Reclassering van het Leger des Heils te Rotterdam, zolang die instelling zulks nodig acht; geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht; bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; in verzekering gesteld op : 5 maart 2004, in voorlopige hechtenis gesteld op : 8 maart 2004, verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mrs Van Rossum, voorzitter, Noordhuizen en Ferenschild, rechters, in tegenwoordigheid van Van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2004.