
Jurisprudentie
AQ1947
Datum uitspraak2004-07-12
Datum gepubliceerd2004-07-29
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Zwolle
ZaaknummersAWB 04/703
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-29
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Zwolle
ZaaknummersAWB 04/703
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verweerder heeft verzoeker gelast het in strijd met artikel 40 van de Woningwet zonder bouwvergunning opgerichte tuinhuis met aangebouwd afdak, voor 1 januari 2004 te verwijderen danwel het tuinhuis aan de toegestane afmetingen aan te passen en hiervoor een aanvraag bouwvergunning in te dienen. Verweerder heeft hieraan de waarschuwing verbonden dat verzoeker een dwangsom verbeurt van € 500,-- per week met een maximum van € 5000,--, indien na genoemde datum de overtreding niet is beëindigd.
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD
Sector Bestuursrecht
De voorzieningenrechter
Reg.nr.: AWB 04/703
UITSPRAAK
betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:
A, wonende te B,
gemachtigde: mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dalfsen,
gemachtigden: W.N. de Vries en mw. M. Volkers.
1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft
Besluit van verweerder van 19 mei 2004.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 12 december 2003 heeft verweerder verzoeker gelast het in strijd met artikel 40 van de Woningwet zonder bouwvergunning opgerichte tuinhuis met aangebouwd afdak op het perceel aan de […]weg […] te B, voor 1 januari 2004 te verwijderen danwel het tuinhuis aan de toegestane afmetingen (oppervlakte maximaal 6m2, hoogte maximaal 2,10 meter) aan te passen en hiervoor een aanvraag bouwvergunning in te dienen. Verweerder heeft hieraan de waarschuwing verbonden dat verzoeker een dwangsom verbeurt van € 500,-- per week met een maximum van € 5000,--, indien na genoemde datum de overtreding niet is beëindigd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 13 januari 2004 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.
Bij brief van 20 januari 2004 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat de effectuering van de dwangsom is opgeschort tot het nemen van de beslissing op bezwaar.
Bij het bestreden besluit van 19 mei 2004 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de begunstigingstermijn bepaald op 14 juni 2004 en aangegeven dat verzoeker tot voornoemde datum in de gelegenheid is om het afdak van het tuinhuisje te verwijderen en de hoogte van het tuinhuisje terug te brengen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 11 juni 2004 beroep ingesteld, alsmede een verzoek gedaan om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb bij de voorzieningenrechter.
Bij brief van 16 juni 2004 heeft verweerder meegedeeld dat de dwangsom wordt opgeschort totdat er een uitspraak is gedaan in het verzoek om voorlopige voorziening.
Het verzoek om voorlopige voorziening is op 5 juli 2004 ter zitting behandeld.
Verzoeker is met zijn echtgenote ter zitting verschenen en heeft zich laten bijstaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigden voornoemd, ambtenaren der gemeente.
Voor de goede orde merkt de rechtbank op, dat slechts de heer A als beroepsgerechtigd en als verzoeker in deze procedure is aangemerkt, omdat slechts hij bezwaar heeft gemaakt. Zijn echtgenote heeft destijds het bewaar niet mee ondertekend, zodat zij gelet op artikel 6:13 van de Awb geen beroep kan instellen.
3. Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Dit in aanmerking nemende dient te worden nagegaan of met betrekking tot het besluit van verweerder van 19 mei 2004, het belang van verzoeker bij een onverwijlde voorlopige voorziening opweegt tegen het belang van onmiddellijke uitvoering van bedoeld besluit. Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
3.1 Wettelijk kader
Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).
Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.
Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (verder Bblb) wordt behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag of een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan een aantal kenmerken, waaronder het kenmerk opgenomen onder 5°, inhoudende dat het bijgebouw niet gebouwd wordt bij een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, bij een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of bij een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd.
Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:23, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
3.2 Feiten en omstandigheden
Verzoeker heeft eind 2002 een zomerhuis aan de […]weg […] te B gekocht en woont daar vanaf begin 2003. In april 2003 heeft verzoeker op het betrokken perceel bij het zomerhuis een tuinhuis met afdak opgericht met een hoogte van 2,70 meter.
Ter plaatse is in 1997 het bestemmingsplan “De Stokte/ De Wildbaan e.o.” van kracht geworden. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het betrokken perceel de bestemming “verblijfsrecreatie”. Ingevolge de bij dit bestemmingsplan behorende voorschriften, voor zover hier van belang, mogen op gronden met voornoemde bestemming slechts vrijstaande bergingen worden opgericht indien verweerder daarvoor (binnenplanse) vrijstelling verleent, met dien verstande dat de oppervlakte ten hoogste 6m2 en de hoogte ten hoogste 2,10 m bedraagt.
Ingevolge het door verweerder sedert 1 juli 1994 gevoerde beleid rust op verzoekers zomerhuis de status “zomerhuis waar permanente bewoning is toegestaan”, hetgeen ingevolge dit beleid inhoudt dat degene die op 1 juli 1994 een zomerhuis bewoont en staat ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Dalfsen, alsmede zijn of haar rechtsopvolgers het zomerhuis permanent mogen bewonen.
In het beleid is tevens vastgelegd, dat voor permanent bewoonde zomerhuizen dezelfde bouwtechnische en planologische voorschriften van kracht blijven als voor de overige zomerhuizen.
Bij brief van 14 augustus 2003 heeft verweerder verzoeker op de hoogte gesteld van de constatering dat op het betrokken perceel een tuinhuisje met afdak is geplaatst zonder de daartoe vereiste bouwvergunning. Tevens is in deze brief meegedeeld dat wordt overwogen verzoeker onder oplegging van een dwangsom aan te schrijven het tuinhuisje met afdak te verwijderen. Verzoeker heeft bij brief van 8 oktober 2003 zijn zienswijzen hierover naar voren gebracht.
Bij besluit van 12 december 2003, zoals, met een nieuwe termijnstelling, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder verzoeker onder dreiging van een dwangsom van € 500,-- per week met een maximum van € 5.000,-- gelast het tuinhuis met afdak te verwijderen danwel het tuinhuis aan te passen aan de, na verlening van binnenplanse vrijstelling door verweerder, toegestane afmetingen (oppervlakte maximaal 6m2, hoogte maximaal 2,10 meter) en hiervoor een aanvraag bouwvergunning in te dienen.
3.3 Beoordeling
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of het onderhavige bouwwerk bouwvergunningsplichtig is of dat in casu sprake is van bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of met het oprichten van het tuinhuisje met afdak wordt voldaan aan het kenmerk opgenomen in artikel 2, aanhef en onder b, 5°, van het Bblb, inhoudende dat het niet het bouwen betreft bij een woning die niet voor permanente bewoning is bestemd.
Verzoeker stelt in dat verband dat nu verweerder een gedoogbeschikking heeft afgegeven op grond waarvan het onderhavige zomerhuis permanent mag worden bewoond, voldaan wordt aan voornoemd kenmerk. Daarbij voert verzoeker aan dat bij beoordeling van de vraag of gebouwd wordt bij een voor permanente bewoning bestemde woning niet de bestemming ingevolge het bestemmingsplan doorslaggevend is, maar de vraag of permanente bewoning krachtens enig overheidsbesluit is toegestaan. Verzoeker verwijst daarbij naar de Nota van Toelichting bij het Bblb waaruit volgt dat het betreffende kenmerk is opgenomen omdat met het oprichten van een bijgebouw bij een recreatiewoning zonder bouwvergunning onbedoeld voorwaarden zouden kunnen worden geschapen om zonder voorafgaande overheidsbemoeienis recreatief gebruik van de recreatiewoning om te zetten in permanent gebruik. Nu gezien de door verweerder afgegeven gedoogbeschikking van het illegaal omzetten van recreatief gebruik in permanente bewoning geen sprake is, geldt ingevolge het Bblb ook niet de vergunningplicht voor bijgebouwen, aldus verzoeker.
Verzoeker beroept zich hierbij mede op het vanwege het Ministerie van VROM uitgegeven informatieblad getiteld “Bijgebouwen en overkappingen” waarin is opgenomen dat (ook) “bij een vakantiehuisje of een ander bouwwerk dat niet permanent mag worden bewoond niet bouwvergunningsvrij een bijgebouw mag worden gebouwd”. Verzoeker leidt uit deze zinsnede af dat bij een vakantiehuisje dat wel permanent mag worden bewoond bouwvergunningsvrij een bijgebouw mag worden gebouwd.
De voorzieningenrechter is vooralsnog echter van oordeel dat artikel 2, aanhef en onder b, 5°, Bblb naar zijn bewoordingen duidelijk is en dat de term ”bestemd” uitgelegd moet worden als “bestemd ingevolge het bestemmingsplan”. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een in het ruimtelijk bestuursrecht gebruikelijke grammaticale uitleg, waardoor tevens eenduidige uitkomsten kunnen worden verkregen. Zeker in het geval als het onderhavige, waarin met een limitatieve opsomming een uitzondering wordt gemaakt op een vergunningplicht is terughoudendheid geboden om van een duidelijke tekst af te wijken. Waar de wettekst duidelijk is, legt de toelichting, zo die al als afwijkend is te beschouwen, geen gewicht in de schaal. Voorts kan aan een vanwege het Ministerie van VROM uitgegeven informatieblad voor wat betreft de bedoeling van de wetgever geen betekenis worden toegekend, omdat hieraan geen officiële status is verbonden.
Het voorgaande brengt met zich mee dat voor het oprichten van het onderhavige tuinhuisje met afdak een bouwvergunning is vereist. Aangezien de vereiste bouwvergunning niet is verleend, is gehandeld in strijd in met artikel 40 van de Woningwet en was verweerder bevoegd tot het opleggen van onderhavige last onder dwangsom.
De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of er een situatie bestaat waarin gezegd dient te worden dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van zijn bevoegdheid gebruik te maken.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient indien sprake is van een illegale situatie hiertegen door het bestuursorgaan te worden opgetreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu verweerder bij besluit van 17 februari 2004 heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het onderhavige bouwwerk, en dit besluit ten tijde van het bestreden reeds onherroepelijk was, niet anders dan geconcludeerd kan worden dat er ten tijde van het bestreden besluit geen zicht meer bestond op legalisering. Legalisering past ook niet in verweerders beleid om het groene karakter in het recreatiegebied te waarborgen.
Vervolgens dient in het kader van de voorlopige voorziening te worden beoordeeld of het belang van handhaving van het bestemmingsplan op dit moment moet prevaleren boven het belang van verzoeker bij het voort bestaan van de illegale situatie hangende de bodemzaak.
Verweerder heeft in dat verband aangegeven dat het bestreden besluit is genomen met het oog op het belang van handhaving van wettelijke voorschriften en het voorkomen van precedentwerking. Verweerder houdt daartoe om de vier à vijf jaar een inventarisatie op het terrein van wat er is bijgebouwd en schrijft overtreders consequent aan. Indien tussentijds illegale bouw wordt ontdekt, wordt meteen handhavend opgetreden, aldus verweerder ter zitting.
Verzoeker heeft daar tegenover gesteld dat op het bungalowpark “X” diverse overkappingen, aanbouwen en bijgebouwen hoger dan 2.10 meter aanwezig zijn, waartegen verweerder niet optreedt en heeft daarbij een aantal situaties concreet omschreven. Daarbij heeft verzoeker onder andere gewezen op een situatie waarin verweerder ten aanzien van een illegaal bijgebouw na een vooraankondiging van een handhavingsbesluit niet daadwerkelijk tot oplegging van een dwangsom is overgegaan en een situatie waarin de betrokken bewoner het nemen van een handhavingsbesluit tegen een niet voor legalisatie in aanmerking komende illegaal gebouwde serre heeft kunnen voorkomen door met een wethouder een gesprek aan te gaan. Verzoeker heeft aangegeven desgewenst nadere informatie, zoals adresgegevens, te zullen verstrekken ten aanzien van de door hem genoemde gevallen.
De gemachtigde van verweerder heeft hierop meegedeeld naar aanleiding van de door verzoeker genoemde voorbeelden te zullen onderzoeken of, zoals verzoeker stelt, op het betreffende bungalowpark inderdaad sprake is gelijke gevallen. Namens verweerder is voorts meegedeeld dat bekeken zal worden of het nodig is om de vijfjaarlijkse inventarisatie van illegale bouwwerken te vervroegen.
De voorzieningrechter is gezien het verhandelde ter zitting van oordeel dat nadere informatie van partijen over eventuele gelijke gevallen moet worden afgewacht, voordat verzoeker gedwongen wordt tot aanpassing/afbraak. Het is aan verzoeker immers niet uit te leggen, indien sommigen wel en anderen niet hun illegale bouwsels zouden moeten afbreken. De voorzieningenrechter zal dan ook thans niet meteen uitspraak doen in de bodemprocedure, zodat in die procedure de te verwachten nadere informatie meegewogen kan worden en het optreden van verweerder aan het gelijkheidsbeginsel kan worden getoetst.
Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het bestreden besluit schorsen zolang het beroep bij de rechtbank loopt, waarbij de voorzieningenrechter in aanmerking neemt, dat aanpassing/afbraak van het gebouwde een voor verzoeker ingrijpende actie is, terwijl het gaat om een overtreding waar de omgeving niet direct last van heeft, zodat het niet bezwaarlijk is dat de aanpassing/afbraak zo nodig pas over enkele maanden geëffectueerd wordt.
Ten slotte ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, juncto artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten welke verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft moeten maken. De kosten in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn begroot op € 644,--. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker nog andere proceskosten heeft moeten maken.
5. Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 toe, in dier voege dat het bestreden besluit wordt geschorst tot en met zes weken na verzending van de uitspraak in beroep;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten welke verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- wijst de gemeente Dalfsen aan als de rechtspersoon die voormelde kosten dient te vergoeden;
- beveelt dat de gemeente Dalfsen aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,-- vergoedt.
Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2004 in tegenwoordigheid van mr. A. Landstra als griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
afschrift verzonden op 12 juli 2004.