
Jurisprudentie
AQ1900
Datum uitspraak2004-06-17
Datum gepubliceerd2004-08-13
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/24975
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-08-13
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/24975
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geloofwaardigheid asielrelaas / ontbreken documenten / reisroute.
Van iemand die als verstekeling op een schip heeft verbleven kan niet altijd worden verwacht dat hij details kan geven over het schip, de reisduur en reisroute. Ook indien zo iemand verklaringen aflegt die niet verifieerbaar zijn kan daaruit niet altijd de slotsom worden getrokken dat de vreemdeling geen blijk geeft van de wil om mee te willen werken aan de vaststelling van zijn reisroute. Verweerder dient ook andere relevante bijzonderheden meewegen, zoals de leeftijd en de fysieke en psychische gesteldheid van de vreemdeling, de vraag of de vreemdeling kan worden beschouwd als iemand die enige reiservaring heeft, en de vraag of de wijze waarop de gestelde reis is gemaakt zich redelijkerwijs gesproken leent voor het onthouden van de door verweerder van belang geachte bijzonderheden. In zoverre zijn de in hoofdstuk C1/5.8.3 Vc 2000 neergelegde aandachtspunten voor het te voeren beleid niet in ieder opzicht evenwichtig. Dit klemt te meer, nu de wetgever er blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 vanuit is gegaan dat het tot dan toe gangbare uitgangspunt van het voordeel van de twijfel, zoals onder meer in het Handbook van de UNHCR verwoord, in de daarvoor in aanmerking komende gevallen zou worden gehandhaafd. Het asielrelaas bevat echter veel vage elementen, elementen uit niet-objectieve en niet-verifeerbare bron en berust op vermoedens. Derhalve kan het ongeloofwaardig worden geacht. Broep gegrond met instandlating rechtsgevolgen.
Uitspraak
Rechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 03/24975 BEPTDN
inzake: A, geboren op [...] 1982, van Nigerese nationaliteit, wonende te B, eiser,
gemachtigde: mr. E. Metzger, advocaat te Amstelveen,
tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,
gemachtigde: mr. M.J. Kroeze, advocaat te ’s-Gravenhage.
I. PROCESVERLOOP
1. Op 27 januari 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 20 februari 2003 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 18 maart 2003 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 2 april 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
2. Bij beroepschrift van 25 april 2003 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 23 mei 2003. Op 9 december 2003 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 17 maart 2004 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
II. ASIELRELAAS
Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.
Eiser heeft de Nigerese nationaliteit, behoort tot de bevolkingsgroep van de Haussa en is afkomstig uit Tasara.
Eiser woonde bij zijn tante in de wijk C in de plaats Tasara. Eisers vader was overleden en zijn moeder was volgens eisers tante op reis gegaan en had hem daarom bij haar zuster achtergelaten.
Op de eerste dag van de Ramadan in 2001 werd eiser door zijn vriend D opgehaald om hout te gaan kappen. Onderweg kwamen zij twee vrouwen tegen die, omdat hun eigen waterput droog stond, op weg waren naar een andere waterput in de wijk. Omdat de andere waterput volgens de leden van de Buzu-stam hun eigendom was, mochten de vrouwen hiervan geen gebruik maken. Eiser en D gingen om die reden met de mensen bij de andere waterput praten. Aldaar werden eiser en zijn vriend aangevallen door vier (onbekende) leden van de Buzu-stam, omdat deze zich bedreigd voelden door de kapmessen die eiser en zijn vriend bij zich droegen. Eiser kreeg een klap op zijn rug met een stok. Vervolgens zijn eiser en D ieder een andere kant op gerend. Diezelfde dag kwamen ’s middags drie van de vier aanvallers met stokken naar het huis van eiser. Eiser is via het raam in de kamer uit zijn huis gevlucht. Daarna is eiser naar Agades gegaan alwaar hij bij een man, genaamd E, verbleef. Van deze man hoorde eiser dat mensen over hem spraken. Toen eiser op een dag naar het huis van E terugkeerde, zag hij dat twee politieagenten dat huis binnengingen. Nadat de politieagenten waren vertrokken is eiser naar huis gegaan. Van een man, genaamd F, heeft hij vervolgens vernomen dat de politie naar hem op zoek was.
Na een verblijf van drie weken in Agades hebben een vrachtwagenchauffeur, van wie eiser de naam niet weet, en twee hulpjes eiser, zonder dat hij voor de reis had betaald, per vrachtwagen naar Algerije gebracht. Na een verblijf van twee dagen in Algerije is eiser per schip naar Nederland gereisd.
III. STANDPUNTEN PARTIJEN
1.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat eiser toerekenbaar geen documenten ter staving van zijn identiteit, nationaliteit en reisroute heeft overgelegd. Het is niet aannemelijk dat eiser geen enkel indicatief bewijs van zijn reis kan overleggen, noch in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. Van een persoon die heeft verklaard van Niger naar Nederland te hebben gereisd mag in alle redelijkheid worden verwacht dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken als, bijvoorbeeld, de naam van het schip, de kenmerken van het schip en de duur van het verblijf in de kamer van het schip.
Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van voornoemde documenten niet aan hem is toe te rekenen, is de oprechtheid van zijn asielrelaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
Eiser heeft voorts summiere verklaringen afgelegd over - onder meer – zijn tante die voor hem heeft gezorgd. Zo heeft eiser verklaard de naam van de man van zijn tante en hun familienaam niet te kennen. Dit wekt bevreemding, nu eiser bijna zijn gehele leven bij zijn tante zegt te hebben gewoond. Dat eiser niet zou weten wat voor soort werk zijn tante doet, wekt eveneens bevreemding. Eisers verklaring, dat het niet gebruikelijk is een moeder te vragen waar zij naartoe is gegaan en wat zij heeft gedaan, is volstrekt onvoldoende. Dat eiser niet weet hoe de chauffeur en diens hulpjes heetten, die hem bij de uitreis hebben geholpen, is ook bevreemdingwekkend, aangezien eiser een aantal dagen met hen is opgetrokken.
Indien al moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen wordt overwogen dat in het incident waarbij eiser in gevecht raakte met enkele leden van de Buzu-stam, geen aanleiding kan worden gezien om ten aanzien van eiser tot vluchtelingschap te concluderen. Eisers problemen zijn gelegen in de privé-sfeer en zijn op geen enkele wijze te herleiden tot een van de gronden zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.
Niet is gebleken dat de Nigerese autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de door eiser gestelde problemen. Dat de politie in Agades naar eiser op zoek zou zijn vanwege de vechtpartij met de leden van de Buzu-stam is niet afkomstig uit een objectief verifieerbare bron. Eisers vriend heeft deze conclusie getrokken omdat mensen op straat over eiser zouden hebben gesproken en met een vinger naar hem zouden hebben gewezen. Eisers stelling dat de politie hem zou willen arresteren en willen beschuldigen van moord berust bovendien slechts op vermoedens van eiser. Geenszins is gebleken dat de politie eiser daadwerkelijk zou willen arresteren of dat zij met eiser zouden willen praten over het incident bij de waterput. Indien de politie eiser al zou willen arresteren, dan zou dit bovendien op verdenking van het plegen van een commuun delict zijn. De bescherming van het Vluchtelingenverdrag kan in dit verband niet worden ingeroepen, nu niet is gebleken dat een dreigende bestraffing inzake dat delict onevenredig zwaar zal zijn, of dat naast of in plaats van normale bestraffing sprake zal zijn van discriminatoire vervolging. Voorts is niet gebleken dat tegenstellingen tussen de Haussa-stam en de Buzu-stam aan het conflict, waar eiser onbedoeld mee te maken heeft gekregen, ten grondslag hebben gelegen.
Gelet op het vorenstaande komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.
1.2 Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat uit het Country Report van the US Department of State van 2003 blijkt dat er in Niger sprake is van een precaire democratie. De Nigerese autoriteiten proberen zo goed mogelijk bescherming te bieden. Het is niet zo dat etnische groepen aan hun lot worden overgelaten.
2.1 Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Hiertoe heeft eiser aangevoerd dat het ontbreken van documenten niet aan eiser kan worden toegerekend, nu hij nooit een paspoort en/of reisdocument heeft aangevraagd en hij ook niet meer in de gelegenheid is geweest een reisdocument aan te vragen, aangezien hij moest vluchten. Niet valt in te zien dat het niet aannemelijk is dat een persoon die als verstekeling heeft gereisd geen documenten met betrekking tot zijn reis kan overleggen. Nu eiser als verstekeling aan boord van een schip heeft gereisd is evenmin vreemd dat hij geen details over het schip kan geven.
Aan de gebeurtenis bij de waterput liggen de tegenstellingen tussen de Haussa-stam en de Buzu-stam liggen ten grondslag. Eerst bij de bespreking van het voornemen was eiser in de gelegenheid om uit te leggen dat er van oudsher sprake is van een conflict tussen de Haussa-stam en de Buzu-stam. Bij dit conflict gaat het veelal om het bezit van landbouwgrond. Het is niet juist dat eiser uitsluitend via een vriend zou hebben vernomen dat de politie naar hem op zoek was. Eiser was er zelf bij aanwezig toen mensen op straat naar hem keken en met hun vinger naar hem wezen. Daarnaast heeft eiser bij de Koranlezing van zijn vriend vernomen dat hij werd gezocht en is de politie bij het huis geweest waar hij verbleef. Er zijn mitsdien voldoende aanwijzingen dat eiser werd gezocht.
Gelet op het vorenstaande dient eiser in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000.
2.2 Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser, vanwege het feit dat de gereserveerde tolk in de Haussa-taal vlak voor de zitting heeft medegedeeld vanwege ziekte niet naar de zitting te kunnen komen, verzocht om aanhouding van het onderzoek ter zitting in de onderhavige zaak.
IV. OVERWEGINGEN
1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.
2. Allereerst overweegt de rechtbank ten aanzien van het verzoek van de gemachtigde van eiser om het onderzoek ter zitting aan te houden vanwege het ontbreken van een Haussa-tolk dat de rechtbank geen aanleiding heeft gevonden om aan dit verzoek te voldoen. Het is onvoldoende duidelijk in welk opzicht een voortgezette behandeling van het onderhavige beroep in aanwezigheid van een Haussa-tolk een nadere bijdrage zou kunnen leveren aan het door de rechtbank te verrichten onderzoek. De rechtbank acht hierbij mede van belang dat, gegeven het feit dat uit stukken is gebleken dat tolken in de Haussa-taal in zeer beperkte mate beschikbaar zijn, niet duidelijk is op welke termijn een nadere behandeling van het beroep zou kunnen plaatsvinden.
3. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.
4. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.
5. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:
a. die verdragsvluchteling is;
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
6. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
7. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS)
(onder meer: AbRS 27 januari 2003, JV 2003, 103) behoort de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van een asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn relaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de Minister en kan die vaststelling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst.
9. Allereerst ligt ter beoordeling voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser toerekenbaar geen documenten ter staving van zijn reisroute heeft overgelegd. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
10. In paragraaf C1/5.8.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 wordt bepaald dat in het geval een asielzoeker geen documenten ter staving van zijn reisroute heeft overgelegd, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, hij blijk geeft van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan, blijkens voornoemde paragraaf van de Vc 2000, de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen.
11. Verweerder heeft aangevoerd dat eiser in onvoldoende mate gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute heeft afgelegd en dat van eiser kan worden verwacht dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken die betrekking hebben op de reis op het schip.
12. Allereerst zal de rechtbank stilstaan bij de gevolgen die in het onderhavige geval voortvloeien uit het feit dat eiser deels als verstekeling heeft gereisd.
13. Van iemand die als verstekeling op een schip heeft verbleven kan niet altijd worden verwacht dat hij in detail kan verklaren over zaken als de kenmerken van het schip, de precieze reisduur en de plaatsen die door het schip worden aangedaan. Ook indien zo iemand ten aanzien van deze of andere punten verklaringen aflegt die niet verifieerbaar zijn kan daaruit niet altijd de slotsom worden getrokken dat de vreemdeling geen blijk geeft van de wil om mee te willen werken aan de vaststelling van zijn reisroute. Alvorens deze slotsom mag worden getrokken zal verweerder dan ook andere relevante bijzonderheden in aanmerking moeten nemen en moeten meewegen. De rechtbank noemt in dit verband de leeftijd en de fysieke en psychische gesteldheid van de vreemdeling, de vraag of de vreemdeling kan worden beschouwd als iemand die enige reiservaring heeft, en de vraag of de wijze waarop de gestelde reis is gemaakt zich redelijkerwijs gesproken leent voor het onthouden van de door verweerder van belang geachte bijzonderheden. In zoverre zijn de in paragraaf C1/5.8.3 van de Vc 2000 neergelegde aandachtspunten voor het te voeren beleid niet in ieder opzicht evenwichtig. Het voorgaande klemt te meer, nu de wetgever er blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 van uit is gegaan dat het tot dan toe gangbare uitgangspunt van het voordeel van de twijfel, zoals onder meer in het Handbook van de UNHCR verwoord, in de daarvoor in aanmerking komende gevallen zou worden gehandhaafd. In dit kader kan onder meer worden verwezen naar de Memorie van Toelichting op de Vw 2000, Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 40-41 en naar de Nota naar aanleiding van het Verslag II, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 146-147.
Het Handbook bood en biedt evenwel met name geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat in het geval van verstekelingen verifieerbare verklaringen mogen worden verlangd. De rechtbank wijst in dit verband op paragraaf 196 van het Handbook, waarin is opgenomen:
“...... there may also be statements that are not susceptible of proof. In such cases, if the applicant’s account appears credible, he should, unless there are good reasons tot the contrary, be given the benifit of the doubt.”
14. Eiser heeft verklaard (pagina 7 van het rapport van het eerste gehoor) in Algerije, een land waar hij naar gesteld niet eerder was geweest, ’s avonds in de haven te zijn aangekomen en aan boord van het schip te zijn gegaan. Voorts heeft eiser verklaard in een klein vertrek van het schip te hebben verbleven. Eveneens heeft hij verklaard dat het schip helemaal wit was en dat hij wel een vlag heeft gezien, doch niet de kleur van deze vlag omdat hij niet goed heeft opgelet. Voorts heeft eiser tijdens het eerste gehoor beschreven hoe vaak hij (bij benadering) eten en drinken heeft gekregen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen stellen dat eiser vage verklaringen over zijn verblijf op het schip heeft afgelegd. Gelet op hetgeen hiervoor onder IV.13 is overwogen heeft verweerder mitsdien niet zonder meer kunnen stellen dat eiser niet heeft meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute. Nu de tegenwerping van verweerder op dit punt zich beperkt tot dat gedeelte van de reis dat eiser na zijn aankomst in de haven in Algerije heeft afgelegd, is de rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt een draagkrachtige motivering ontbeert.
15. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het bestreden besluit in strijd is genomen met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
16. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe is het volgende redengevend.
17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het asielrelaas van eiser op zichzelf niet zonder meer voor waar heeft behoeven te houden, nu dit relaas teveel vage elementen bevat die niet aanstonds kunnen worden verklaard of reeds door eiser zijn verklaard. Zo acht de rechtbank het met verweerder niet aannemelijk dat eiser de naam van de man van zijn tante en hun familienaam niet kent, gelet op eisers verklaring dat hij bijna zijn gehele leven bij hen heeft gewoond. Voorts heeft eiser de namen van de chauffeur en zijn twee hulpjes, die de reis van eiser (deels) hebben geregeld niet kunnen noemen.
18. De rechtbank overweegt ten overvloede dat, indien al van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser dient te worden uitgegaan, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nigerese autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen beschermen tegen de problemen met de leden van de Buza. De stelling dat de politie in Agades naar eiser op zoek zou zijn wegens de vechtpartij bij de waterput is afkomstig uit een niet-objectieve, verifieerbare bron en berust ook overigens op vermoedens die verweerder niet reëel heeft behoeven te achten. Voorts berust eisers stelling dat de politie hem zou willen arresteren en beschuldigen van moord slechts op vermoedens. Nu dat vermoeden niet zonder meer wordt ondersteund door eisers relaas omtrent hetgeen bij de waterput is voorgevallen, is het realiteitsgehalte van deze vermoedens zo twijfelachtig dat verweerder ook in dit opzicht niet tot aannemelijkheid heeft hoeven te concluderen. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht omtrent de ruzie met de leden van de Buzu-stam bij de waterput kunnen voorts geen aanknopingspunten worden gevonden om tot vluchtelingschap te concluderen, nu de door eiser gestelde problemen niet te zijn herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Deze problemen zijn, voor zover ze tot strafrechtelijke repercussies zouden leiden, als overwegend commuun aan te merken.
19. Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet als verdragsvluchteling kan worden aangemerkt.
20. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is zulks ten aanzien van eiser niet aannemelijk geworden.
21. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.
22. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).
V. BESLISSING
De rechtbank
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het bestreden besluit;
3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.
Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van P. Deinum, griffier, en openbaar gemaakt op: 17 juni 2004
De griffier, De voorzitter,
Afschrift verzonden op: 17 juni 2004
Conc.: PD
Coll:
Bp: -
D: B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.