Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1819

Datum uitspraak2004-07-15
Datum gepubliceerd2004-07-15
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers24-000421-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Zeven jaar gevangenisstraf voor gijzeling. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de gijzeling van de toen elfjarige [slachtoffer]. Een zeer ernstig delict dat voor grote maatschappelijke onrust heeft gezorgd. Verdachte heeft, vermomd als verkeersbrigadier, een basisschoolleerlinge van haar fiets gelokt en meegenomen. Daarmee is gebeurd wat iedere ouder vreest. Het feit heeft de rechtsorde ernstig geschokt en het veiligheidsgevoel in de kleine gemeenschap van Oldeberkoop, maar ook ver daarbuiten in geheel Nederland, aangetast.


Uitspraak

Parketnummer: 24-000421-04 Arrest van 15 juli 2004 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden d.d. 11 maart 2004 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans verblijvende in [verblijfplaats], verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank te Leeuwarden heeft de verdachte bij haar vonnis op tegenspraak wegens een misdrijf veroordeeld tot een vrijheidsstraf en heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals in het vonnis nader omschreven. Aanwending van het rechtsmiddel De officier van justitie is op 24 maart 2004 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen en heeft het ingestelde hoger beroep aan verdachte doen betekenen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep Het hof heeft gelet op het onderzoek op zijn terechtzitting van 2 juli 2004 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen. Tenlastelegging Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg gewijzigd, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. Beslissing op een gevoerd verweer De raadsman van verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte zonder het daartoe vereiste bevel van de rechter-commissaris vanuit het huis van bewaring naar het politiebureau is vervoerd voor verhoor. Uit de Memorie van Toelichting op de desbetreffende wettelijke regeling blijkt dat het lichten van een verdachte 'een andere maatregel in het belang van het onderzoek' is, als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge artikel 76 van dat wetboek geldt deze bepaling ook gedurende de voorlopige hechtenis. In dit geval is het lichten inderdaad niet gebaseerd op een bevel van de rechter-commissaris. In zoverre is een vorm verzuimd in de zin van artikel 359a van genoemd wetboek. Het hof zal hieraan geen consequenties verbinden, zoals door de raadsman verzocht, omdat niet gebleken is dat er voor verdachte enig nadeel is ontstaan door dit vormverzuim. Bewezenverklaring Het hof acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat: hij in de periode van 25 augustus 2003 tot en met 27 augustus 2003, in Nederland en in de Bondsrepubliek Duitsland, opzettelijk een [slachtoffer], [slachtoffer] (verder te noemen: "[slachtoffer]"), wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet onder meer het volgende gedaan: - hij heeft zich gekleed als een soort politieman en bij [slachtoffer] de indruk gewekt dat hij van de "verkeersbrigade" was en in die hoedanigheid [slachtoffer], die op de weg fietste, een zelfgemaakt stopbordje getoond en haar tot stoppen gedwongen en haar op autoritaire en dwingende wijze en met stemverheffing medegedeeld dat zij haar fiets tegen een boom moest zetten en in de door hem bestuurde auto moest plaatsnemen en vervolgens - heeft hij in die auto de mond en de ogen van [slachtoffer] met tape afgeplakt en - nadat hij enige tijd met haar in de auto had gereden, heeft hij haar uit die auto gehaald en in de kofferbak van een tweede auto geplaatst en - toen de tape losliet, heeft hij de ogen en een deel van het hoofd van [slachtoffer] met verband omzwachteld en - met die tweede auto waarin [slachtoffer] zich onder meer in de kofferbak bevond, is hij door Nederland en door Duitsland gereden en - hij heeft die auto gedurende avonden en nachten in een garagebox geparkeerd, alwaar [slachtoffer] in deze auto moest overnachten, en [slachtoffer] persoonlijk begeleid en bewaakt als zij uit deze auto kwam om onder meer in zijn opdracht telefonisch contact te zoeken met haar ouders en om te plassen en te eten en aldus heeft hij [slachtoffer] tegen haar wil gedurende enige tijd opgesloten en afgezonderd van haar familie en verhinderd zich vrijelijk te bewegen en te gaan en staan waar zij wilde en haar persoonlijke bewegingsvrijheid ingeperkt, met het oogmerk anderen, te weten haar ouders [ouders] te dwingen aan hem, verdachte, een losgeld te betalen ten bedrage van tweehonderdduizend euro, hebbende hij met dat oogmerk gedurende vorenomschreven periode telefonisch contact gezocht en gehad met voornoemde [ouders], met onder meer de mededeling: "Wir haben ein Kind" en "Wir wollen 200.000. Dann sehen Sie das Kind in zwei Tagen". Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en zal hem in zoverre vrijspreken. Kwalificatie Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert op het misdrijf: Gijzeling Strafbaarheid In het Pieter Baan Centrum is omtrent verdachte multidisciplinair gerapporteerd. De rapporteurs, psychiater J.H. van Renesse en psycholoog A.J. de Groot, - eerstgenoemde is ter zitting in eerste aanleg gehoord - concluderen dat verdachte zich steeds bewust is geweest van het onrechtmatige van de gijzeling, maar dat hij ten tijde van (een deel van) de voorbereiding en de eerste momenten van de gijzeling zodanig leed aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis in combinatie met een aanpassingsstoornis, dat het feit hem op die momenten in verminderde mate kan worden toegerekend. De druppel die de emmer bij verdachte deed overlopen, de directe aanleiding voor de gijzeling, was volgens de deskundige Van Renesse het moment waarop verdachte zijn vriendin huilend aantrof naar aanleiding van haar WAO-herkeuring. Verdachte wilde hierna een daad stellen: de krenking wegnemen door de gijzeling. Op het moment van het wegkapen van het slachtoffer was verdachte volgens de rapporteurs verminderd toerekeningsvatbaar. Vanaf een halfuur tot anderhalf uur daarna nam de toerekeningsvatbaarheid echter toe. Het hof kan zich vinden in de bevindingen van de deskundigen betreffende de ziekelijke stoornis van de geestvermogens die zij bij verdachte aanwezig achten, neemt die bevindingen over en maakt die tot de zijne. Het hof sluit zich eveneens aan bij de deskundigen, voor zover het gaat om het onderscheid dat moet worden gemaakt tussen de verschillende fasen waarin de verdachte zich tijdens de voorbereiding en uitvoering van de ontvoering en gijzeling bevond. De fasen waarin een verminderde toerekeningsvatbaarheid zou moeten worden aangenomen, zijn naar het oordeel van het hof relatief kort te noemen. Het hof leidt uit de rapportages af dat dit geldt voor de fase kort nadat verdachte het besluit had genomen de ontvoering door te zetten en voor de periode kort vóór en kort na het feitelijke begin van deze ontvoering. Deze perioden staan, zo begrijpt het hof, naast veel ruimere perioden tijdens voorbereiding en uitvoering, waarin verdachte volledig of nauwelijks verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Dat geldt voor de periode waarin verdachte, lange tijd voor de genoemde krenking, het plan voor de gijzeling ontwikkelde en waarin hij eerdere voorbereidingshandelingen trof. En het betreft ook de drie dagen na het begin van de ontvoering, waarin hij doorging met het delict en een aantal pogingen ondernam om losgeld te verkrijgen. Dit brengt het hof tot de slotsom dat het feit over het geheel genomen verdachte slechts enigszins verminderd moet worden toegerekend. Met het advies van de deskundigen dat het gehele feit verdachte verminderd moet worden toegerekend, kan het hof zich dus niet verenigen. Voor het overige worden geen strafuitsluitingsgronden aanwezig geacht. Strafmotivering De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. In hoger beroep stond de vraag centraal of deze straf passend is. De advocaat-generaal heeft, onder verwijzing naar de argumentatie van de officier van justitie, een gevangenisstraf van acht jaren gevorderd. De raadsman van verdachte meende dat met een vrijheidsbeneming voor de duur van vier jaren moet worden volstaan. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het volgende. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de gijzeling van de toen elfjarige [slachtoffer]. Een zeer ernstig delict dat voor grote maatschappelijke onrust heeft gezorgd. Verdachte heeft, vermomd als verkeersbrigadier, een basisschoolleerlinge van haar fiets gelokt en meegenomen. Daarmee is gebeurd wat iedere ouder vreest. Het feit heeft de rechtsorde ernstig geschokt en het veiligheidsgevoel in de kleine gemeenschap van Oldeberkoop, maar ook ver daarbuiten in geheel Nederland, aangetast. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op het gezinsleven van de familie [ouders]. Zoals bleek uit de verklaring die de moeder van het slachtoffer ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd, lijdt het gezin nog dagelijks onder de gebeurtenissen en zijn ook de andere kinderen in het gezin angstiger geworden. Het slachtoffer zelf is onder behandeling bij een kinderpsychologe. Verdachte heeft [slachtoffer] plotseling weggerukt uit haar nog kinderlijke belevingswereld. De psychische gevolgen daarvan zijn nog niet volledig te bepalen. Waarschijnlijk zal [slachtoffer] zich pas later ten volle realiseren wat er met haar gebeurd is of had kunnen gebeuren tijdens de drie dagen die de gijzeling geduurd heeft. Gedurende die dagen hield verdachte haar grotendeels vast in zijn auto, meestal in de bagageruimte. Het gezicht van het meisje plakte hij eerst af met tape, later bond hij er verband om heen. Hij verzorgde haar zeer matig en heeft haar - naar het hof aanneemt, ondanks de verklaringen van verdachte dat dit een vergissing was - gedrogeerd met een slaapmiddel. Bovendien heeft verdachte het slachtoffertje een voor haar bijzonder bedreigend en angstaanjagend verhaal verteld over een Belgische kliniek waar hij haar in opdracht van een baas heen moest brengen en waar met haar organen zieke kinderen beter gemaakt zouden worden. Hij probeerde zich voor te doen als de goede man die aan die opdracht geen uitvoering zou geven en die haar zou beschermen. Verdachte beging het - voor het kind zeer traumatische - delict met het oogmerk van geldelijk gewin. Zelfs nadat hij besefte dat hij het losgeld niet zou krijgen, probeerde hij nog het uitgeloofde tipgeld te incasseren. Daarbij heeft hij bovendien de hulp van een vriend gezocht, die als gevolg daarvan ook bij het ernstige misdrijf betrokken is geraakt. Verdachte had al maanden van tevoren het plan voor de ontvoering bedacht en zijn slachtoffertje uitgezocht. Dit blijkt ook uit het ad informandum gevoegde en ter zitting door verdachte erkende feit, dat hij reeds in de periode van 1 mei tot en met 25 juni 2003 voorbereidingshandelingen heeft verricht om [slachtoffer] te gijzelen. Hij heeft zijn plannen op dat moment niet doorgezet. Dat feit wordt overigens geacht hiermee te zijn afgedaan. Hetgeen hiervoor is overwogen kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd en wel van zeer lange duur. Deze straf dient ter vergelding van het leed dat verdachte [slachtoffer] en haar familie heeft aangedaan en ter effening van de schok die aan de rechtsorde is toegebracht. De straf moet afschrikwekkend werken met het oog op de bescherming van personen, in het bijzonder kinderen, een kwetsbare groep in de samenleving en niet zelden het doelwit bij dergelijke misdrijven. De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan rechtvaardigen een vrijheidsstraf ter grootte van het dubbele van de straf die de rechtbank heeft opgelegd. Zo ver wil het hof echter niet gaan, gelet op omstandigheden betreffende de persoon van verdachte. Zo blijkt uit een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 19 mei 2004 dat verdachte zich nog niet eerder schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. Met de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum is het hof bovendien van oordeel dat de kans dat verdachte na zijn straf opnieuw een delict begaat niet groot is. Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijkheidsproblematiek en de achtergronden van verdachte, zoals die gebleken zijn uit het PBC rapport, en met de omstandigheid dat het feit hem in enigszins verminderde mate wordt toegerekend. Bovendien heeft het hof bij het opleggen van de straf gelet op de leeftijd van verdachte, 64 jaar. Het hof wil hem niet het uitzicht benemen op een oude dag in vrijheid. Ter zitting is door de raadsman van verdachte betoogd dat verdachte is geschaad door de aard van de publiciteit rondom dit feit en dat dit strafverminderend zou moeten werken. Het hof is echter van oordeel dat niet gebleken is dat met deze publiciteit de grenzen van een behoorlijke verslaggeving in zodanige mate zijn overschreden en dat aan verdachte daardoor zoveel nadeel is toegebracht, dat om die reden een strafkorting zou moeten worden toegepast. Alles tezamen genomen acht het hof een gevangenisstraf van zeven jaar een passende reactie op dit ernstige strafbare feit. De herhaalde verzekeringen van spijt die de verdachte jegens het hof gegeven heeft, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Hetzelfde geldt voor het betoog van de raadsman dat de kans bestaat dat verdachte na het onherroepelijk worden van zijn veroordeling zijn cel met een ander zal moeten delen. Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] In het geding in eerste aanleg heeft [slachtoffer] zich door middel van een voegingsformulier gevoegd als benadeelde partij. Ze heeft, zo begrijpt het hof, bij monde van haar wettelijke vertegenwoordigers, als immateriële schadevergoeding vijfduizend euro gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. Derhalve is de vordering geheel aan het hoger beroep onderworpen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de gehele vordering dient te worden toegewezen. De raadsman van verdachte heeft de vordering niet weersproken. Die vordering kan derhalve worden toegewezen als direct gevolg van het bewezenverklaarde feit. Het hof acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gerechtvaardigd. Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partijen [ouders] In het geding in eerste aanleg hebben [ouders slachtoffer] zich door middel van een voegingsformulier gevoegd als benadeelde partijen. Ze hebben als immateriële schadevergoeding vijfduizend euro gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen tot een bedrag van duizend euro en de partijen voor het overige in hun vordering niet-ontvankelijk verklaard met verwijzing naar de burgerlijke rechter. Ter zitting in hoger beroep hebben de benadeelde partijen verklaard hun oorspronkelijke vordering te willen handhaven. Derhalve is de gehele vordering aan het hoger beroep onderworpen. De raadsman van verdachte heeft de vordering betwist, omdat de ouders van het slachtoffer naar zijn oordeel niet getroffen zijn in het belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. Het hof kan hem daarin niet volgen. Verdachte heeft het elfjarige dochtertje van de benadeelde partijen gegijzeld en hun medegedeeld dat zij geld moesten betalen als zij haar weer terug wilden zien. Hierdoor zijn zij rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit getroffen. Het hof acht aannemelijk geworden dat de benadeelde partijen immateriële schade tot het gevorderde bedrag hebben geleden en zal de vordering derhalve toewijzen. Het hof acht daarnaast ook hier oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gerechtvaardigd. Toepassing van wetsartikelen Het hof heeft gelet op de artikelen 5, 36f en 282a van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak HET HOF, RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende: verklaart het verdachte als voormeld primair ten laste gelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart dit feit en verdachte deswege strafbaar; veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren; beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij; wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], wonende te [adres], tot een bedrag van vijfduizend euro; veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt -tot aan deze uitspraak begroot op nihil- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfduizend euro ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [adres], met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis voor de duur van eenhonderd dagen zal worden toegepast; verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van dat bedrag doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen; wijst toe de vordering van de benadeelde partijen, [ouders], wonende te [adres], tot een bedrag van vijfduizend euro; veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt -tot aan deze uitspraak begroot op nihil- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfduizend euro ten behoeve van [ouders], wonende te [adres], met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis voor de duur van eenhonderd dagen zal worden toegepast; verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen van dat bedrag doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partijen de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen. Dit arrest is aldus gewezen door prof.mr. Hermans, vice-president, als voorzitter, mrs. Poelman en Holsink, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Pier als griffier, zijnde mr. Holsink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.