
Jurisprudentie
AQ1733
Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers03/04535
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers03/04535
Statusgepubliceerd
Indicatie
Parkeerbelasting. Bedrijfsvergunning op meerdere kentekens. Gedurende de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vergunning op te bergen in het bedrijfsgebouw en terug te lopen naar de auto kan niet worden gezegd dat niet wordt voldaan aan de vergunningsvoorschriften.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Tiende Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak met dagtekening 28 oktober 2003 van de Y van de gemeente P, verweerder, betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
Het beroep is behandeld ter zitting van 16 juni 2004.
Beslissing
Het Hof:
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt de bestreden uitspraak,
- vernietigt de naheffingsaanslag,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van € 15 en wijst de gemeente P aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen,
- gelast de gemeente P het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden.
Gronden
1.1. In de Verordening parkeerbelastingen 2003 van de gemeente P (hierna: de belastingverordening) is onder meer het volgende vermeld (tekst 2003):
“(...) Art. 1
Onder de naam van parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting terzake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze veror-dening in de daarin aangewezen gevallen door het College van Burgemeester en Wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze [Hof: hierna de A-belasting];
b. een belasting terzake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze [Hof: hierna de B-belasting]. (...)
Art. 2
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen, voor het openbaar verkeer openstaande, terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; (…)
Art. 4
1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.
2. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, is verschuldigd bij het verlenen van de vergunning.
(…)
Art. 6
1. De belasting, bedoeld in art. 1. onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte, en wel door middel van het werpen van geld in parkeerapparatuur of door middel van het elektronisch betalen bij parkeerapparatuur en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. (...)
2. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij het verlenen van de vergunning.”
1.2. In de Parkeerverordening 2002 van de gemeente P (hierna: de parkeerverordening) is onder meer het volgende vermeld (tekst 2003):
“Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Art. 1
Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
b. bedrijf of beroep:
? elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst (...) arbeid wordt verricht; (…)
l houder van een motorrijtuig: degene die beschikt over een op zijn naam gesteld kentekenbewijs van het desbetreffende motorrijtuig (...)
s parkeren: gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorrijtuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
t parkeerkaart: kaart waarmee parkeerbelasting wordt geheven, krachtens welke het is toegestaan een motorrijtuig te parkeren op een parkeerapparatuurplaats;
(...)
x parkeervergunning: vergunning als bedoeld in art. 5, lid 2, waarvoor parkeerbelasting wordt geheven, krachtens welke het is toegestaan een motorrijtuig te parkeren op een parkeerapparatuur-plaats;
(...)
ac vergunning: een parkeervergunning of een bijzondere vergunning, als bedoeld in art. 5;
ad vergunninghouder: natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;
ae vergunninggebied: gebied waarbinnen parkeervergunningen kunnen worden verleend indien en voorzover in dat gebied voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven;
(...)
Art. 2
Regulering parkeren.
1. Regulering van het gebruik van parkeerplaatsen geschiedt op basis van deze verordening door middel van parkeervergunningen, bijzondere vergunningen en parkeerkaarten.
2. Indien tot enige vorm van regulering van het gebruik van parkeerplaatsen wordt besloten, geschiedt dit met inachtneming van het bepaalde in deze verordening en de krachtens deze verordening vast-gestelde regelingen.
(...)
Hoofdstuk 2. Vergunningen en kaarten.
Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake de vergunningen.
Art. 5
Soorten vergunningen.
1. Op basis van deze verordening (…) worden parkeervergunningen en bijzondere vergunningen ver-leend.
2. De op basis van deze verordening te verlenen parkeervergunningen betreffen (…):
(…)
b de bedrijfsvergunning, als bedoeld in art. 8;
(…)
Art. 8
De bedrijfsvergunning.
1. Een bedrijfsvergunning wordt verleend aan een bedrijf dat gelegen is in een vergunning gebied.
(...)
Art. 25
Gegevens en voorschriften.
(...)
2. Aan een vergunning worden - voorzover van toepassing - in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:
a de vergunning is uitsluitend geldig voor het parkeren van het motorrijtuig waarvan het kenteken, respectievelijk de code, aan de voorzijde van de vergunning is vermeld;
b tijdens het parkeren moet de vergunning goed zichtbaar in de linkerbenedenhoek achter de achter-ruit zijn aangebracht, zodanig dat de voorzijde van de vergunning duidelijk ten genoegen van de parkeercontrole is te lezen.”
2.1. Belanghebbende, houder van een voertuig met kenteken CC-CC-CC (hierna: de auto), is in deeltijd werkzaam op een school. Aan die school is voor het vergunninggebied waarin zij is gevestigd, een bedrijfsvergunning verleend op de kentekens CC-CC-CC en DD-DD-DD (hierna: de vergunning).
2.2. Belanghebbende heeft op 23 juni 2003 de auto vlakbij de school op de E-straat tegenover nummer 1 te P geparkeerd. Tot 15.00 uur was de vergunning zichtbaar in de auto aangebracht.
2.3. Toen de school om ongeveer 15.00 uur uitging en belanghebbende klaar was met zijn werkzaamheden, is hij naar de auto gelopen, heeft er de vergunning uit genomen en is naar het schoolgebouw teruggegaan om er de vergunning in de kluis op te bergen. Nadat hij dit heeft gedaan is hij naar de auto teruggelopen. Kort na 15.04 uur was belanghebbende weer bij de auto.
2.4. Om 15.04 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto stond geparkeerd zonder dat een parkeerkaart of een parkeervergunning in de auto lag. Terzake daarvan heeft hij aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de A-belasting opgelegd. Na bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
4.1. Verweerder stelt dat op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag geen parkeervergunning zichtbaar in de auto was aangebracht. Zijns inziens betekent dit dat niet was voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning waren verbonden, zodat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
4.2. Belanghebbende bestrijdt dit. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd heeft hij in de stukken en ter zitting, samengevat en in hoofdzaken weergegeven, aangevoerd dat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag de B-belasting was voldaan. Er er was immers voor het parkeren met de auto een parkeervergunning verleend. Dat de vergunning niet in de auto lag kwam doordat hij ten behoeve van zijn collega, de houder van het voertuig met het kenteken DD-DD-DD, de vergunning om 15.04 in de kluis van de school aan het opbergen was. Zijn collega zou de vergunning de volgende dag gaan gebruiken.
5.1. Het Hof overweegt als volgt. In de belastingverordening is de verhouding tussen de A- en B-belasting niet geregeld. Klaarblijkelijk is het stelsel van de belastingverordening dat de A-belasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de B-belasting is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden is geen sprake van parkeren met die vergunning (Hoge Raad 17 december 1997, nr. 32 834, BNB 1998/46).
5.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of ten tijde van het parkeren voldaan was aan de voorschriften die aan de vergunning waren verbonden. De Gemeenteraad in P heeft met de vaststelling van de parkeerverordening een systeem van parkeervergunningen gecreëerd, waarin de mogelijkheid bestaat dat op verzoek aan een bedrijf een parkeervergunning wordt afgegeven die, zoals in casu het geval is, op twee of meerdere kentekens staat, zodat die vergunning - volgtijdelijk, maar niet noodzakelijkerwijs direct aansluitend - door de desbetreffende kentekenhouders gebruikt kan worden (verder de deelgebruikers). In geval een vergunninghouder over zo’n vergunning beschikt is het naar het oordeel van het Hof vanzelfsprekend en redelijk dat hij van de deelgebruikers verlangt dat zij de vergunning na het gebruik op een vaste, veilige en bij alle deelgebruikers bekendzijnde plaats opbergen. Dit betekent dat er bij de aanvang en het einde van parkeren waarbij een deelgebruiker van de vergunning gebruik maakt, normaliter een korte periode zal zijn gedurende welke de vergunning niet op de voorgeschreven wijze zichtbaar in de auto is aangebracht, omdat de deelgebruiker de vergunning direct na de aanvang van het parkeren moet gaan halen, respectievelijk tegen het einde van het parkeren moet gaan opbergen. Deze situatie zou voorkomen kunnen worden doordat de parkeerder met iemand afspreekt dat deze bij de aanvang van het parkeren op een vaste locatie met de vergunning klaarstaat en bij het einde van het parkeren met de parkeerder naar het voertuig meeloopt om de vergunning op te gaan halen teneinde deze te kunnen opbergen. Verweerder heeft ter zitting op deze mogelijkheid gewezen. Naar het oordeel van het Hof kan van deelgebruikers of de vergunninghouder echter in redelijkheid niet verlangd worden dat zij met anderen, die in beginsel geen enkel direct belang bij het parkeren-met-vergunning door de deelgebruikers hebben, dergelijke - gelet op de bijna dagelijkse frequentie van de hier aan de orde zijnde problematiek - relatief veel tijd kostende afspraken maken.
Een andere mogelijkheid die verweerder geopperd heeft, te weten het tegen het einde van de parkeertijd voor een paar minuten kopen van een parkeerkaartje, acht het Hof geen redelijk alternatief. De strekking van het afgeven van een bedrijfsvergunning is nu juist dat er geen A-belasting hoeft te worden betaald.
Op basis van het voorgaande is het Hof van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 25 van de parkeerverordening meebrengt dat, in geval een bedrijfsvergunning - die op meerdere kentekens is afgegeven - niet zichtbaar in het voertuig is aangebracht, omdat de parkeerder - naar hij stelt en hij bij gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk zal moeten maken - de vergunning ten behoeve van een deelgebruiker aan het opbergen is, niet kan worden gezegd dat gedurende de tijd die redelijkerwijs nodig is om die vergunning in het bedrijfsgebouw van de vergunninghouder op te bergen en terug te lopen naar het voertuig, niet voldaan wordt aan de voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden.
Het argument van verweerder dat de aanvrager van een vergunning-op-meerdere-kentekens en de deelgebruikers ervan weten - en er dus mee instemmen - dat er bij het einde van het parkeren in strijd met de vergunningvoorschriften wordt gehandeld indien er geen maatregelen getroffen worden om te voorkomen dat er geparkeerd wordt zonder dat de vergunning zichtbaar in de auto is aangebracht, acht het Hof onjuist. Door de uitleg die het Hof aan artikel 25 van de parkeerverordening geeft, is er immers gedurende de tijd die tegen het einde van het parkeren nodig is om de vergunning op te bergen, geen strijd met genoemd artikel.
Op basis van het voorgaande en gelet op 2.3 is het Hof van oordeel dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag voldeed aan de voorschriften die aan de vergunning verbonden waren.
6. Het Hof concludeert derhalve dat het beroep gegrond is. Hetgeen verweerder overigens heeft gesteld leidt niet tot een ander oordeel. De naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.
Proceskosten
Nu de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd, acht het Hof termen aanwezig verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van belanghebbende in goede justitie bepaald op € 15, zijnde de reiskosten per openbaar vervoer (tweede klasse) om de zitting van 16 juni 2004 bij te wonen. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.
De uitspraak is gedaan op 30 juni 2004 door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Schiltkamp als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Vervanging
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in minde-ring gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.